ECLI:NL:RBMNE:2022:444 (Beledigen en Bedreigen van de verzekeraar)

Rechtbank Midden-Nederland, 10 februari 2022, Verzekering terecht opgezegd na beledigen en bedreigen door verzekerde
(ECLI:NL:RBMNE:2022:444)

Essentie

Onderhavige zaak betreft de vraag of Achmea proportioneel heeft gehandeld door het opzeggen van verzekeringen van een vrouw die beledigende en bedreigende mails heeft gestuurd. De voorzieningenrechter stelt Achmea in het gelijk.

Rechtsregel

Op grond van art. 7:940 lid 3 BW is de verzekeraar bevoegd om een verzekering tussentijds op te zeggen, indien een bedongen tussentijdse opzeggingsgrond zodanig van aard is dat de gebondenheid aan de overeenkomst niet meer gevergd kan worden van de verzekeraar.

Inhoud

Sinds 1996 heeft eiseres een rechtsbijstandverzekering bij FBTO, een onderdeel van Achmea. De uitvoering van FBTO wordt verricht door een stichting. In 2017 heeft eiseres een aansprakelijkheids- en inboedelverzekering gesloten bij Achmea (Centraal Beheer) op het adres van de bungalow op het bungalowpark waar eiseres een recreatiewoning heeft. Nadat er een geschil heeft plaatsgevonden tussen eiseres en de exploitant van het bungalowpark, meldt eiseres dit aan de stichting. Dientengevolge heeft de stichting rechtshulp aangeboden in de vorm van een eigen advocaat die eiseres kan inschakelen. Op een gegeven moment doet eiseres wederom een melding over een geschil tussen haar en de exploitant van het bungalowpark. Tussen de stichting en eiseres is toen een discussie ontstaan of dit geschil binnen de verzekering valt. Achmea was immers van mening dat dit geschil onder de eerder genoemde kwestie viel. In die kwestie was het maximaal verzekerde bedrag al bereikt en daarom werd verdere dekking geweigerd. Eiseres heeft vervolgens een mail gestuurd naar de stichting, waarin zij medewerkers onder andere ‘onderwijspepernoot’, ‘stelletje lamstralen’ en ’huppelkut’ noemt. De stichting heeft vervolgens op 11 mei 2021 per mail aan eiseres laten weten dat zij niet gediend zijn van dergelijke uitingen jegens medewerkers. Op 18 juni 2021 heeft eiseres weer een mail gestuurd, waarin zij het volgende heeft geschreven:

“Mevrouw (…) … wilt u kogel of een honkbalknuppel … ? Voor uw verjaardag. Doosje bonbons wellicht?

Beste [.] … kan ik iemand met verstand krijgen? Doe me die (…) eens. De baas. Die zal toch nog wel eens klaar zijn met z’n ballenbak? Deze vrouw is gek. En vooral een in en lekke pispot draaiende papegaai. Breng haar weg. Snel. Ik trek het niet meer. Haar niet meer.”

Op 22 juni 2021 heeft de stichting op de mail van eiseres gereageerd: “Wij vragen u voor de laatste maal uitdrukkelijk om in alle contacten met de (naam stichting), in welke vorm dan ook, normale omgangsvormen te gebruiken. (…) wij vragen u voor 29 juni 2021 schriftelijke excuses aan te bieden en schriftelijk te bevestigen dat u zich zal onthouden van de door u gebruikte omgangsvormen. Ontvangen wij uw schriftelijke excuses niet en/of blijft u mij en/of collega’s op deze manier bejegenen dan zie ik mij genoodzaakt dit te signaleren bij uw verzekeraar. Ik wijs u erop dat een dergelijk signaal mogelijke gevolgen heeft voor uw verzekering en de daarbij horende dienstverlening.” Op 28 juni 2021 heeft de stichting nog een rappel gestuurd, maar eiseres reageert niet. Dientengevolge heeft de stichting op 30 juni 2021 aangifte ingediend bij de politie wegens belediging en bedreiging. Tevens is op 5 juli 2021 een formele bevestiging gestuurd naar eiseres dat de werkzaamheden worden gestaakt en dat er melding wordt gedaan bij FBTO/Achmea. FBTO heeft vervolgens op 23 september 2021 besloten om de rechtsbijstandsverzekering per direct op te zeggen op grond van art. 5 van de algemene voorwaarden, waarin staat opgenomen dat een verzekering gestopt mag worden bij de bedreiging van medewerkers. Ook heeft FBTO besloten om eiseres voor een periode van vijf jaar te registreren in het Interne Verwijzingsregister (IVR). Daarnaast heeft ook Centraal Beheer de aansprakelijkheids- en inboedelverzekering van eiseres voor haar recreatiewoning opgezegd op grond van artikel 6 van de algemene voorwaarden, waarin staat opgenomen dat een verzekering mag worden opgezegd indien de verzekerde moreel onaanvaardbaar gedrag toont bij andere merken van Achmea.

In de procedure stelt eiseres zich op het standpunt dat de beëindiging van de verzekeringen en de registratie van haar gegevens in het IVR buitenproportioneel is en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Eisers is van mening dat er geen sprake was van bedreiging en dat zij jarenlang probleemloos verzekerd is bij Achmea. Achmea stelt dat de opzegging terecht was op basis van de polisvoorwaarden, waarbij de proportionaliteit en subsidiariteit in acht is genomen.

De voorzieningenrechter wijst op art. 7:940 lid 3 BW, waarin is opgenomen dat een verzekeraar alleen tussentijds mag opzeggen in het geval dat er een tussentijdse opzeggrond is bedongen, die zodanig van aard is dat gebondenheid aan de overeenkomst niet gevergd kan worden. Indien deze omstandigheden zich voordoen dan heeft de verzekeraar de plicht om dit kenbaar te maken aan de verzekerde. De voorzieningenrechter oordeelt dat Achmea aan de vereisten heeft voldaan. Naar objectieve maatstaven kan gesproken worden van bedreiging. Tevens weegt de voorzieningenrechter mee dat de eiseres geen excuses heeft gemaakt, de medewerkers de opmerkingen als bedreigend hebben ervaren en de desbetreffende medewerker een tijd niet heeft kunnen functioneren door dit voorval. Daarnaast is het van belang dat eiseres al meerdere waarschuwingen heeft gekregen en hier niks mee gedaan heeft. De opzegging is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook proportioneel en gerechtvaardigd. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat de registratie in het IVR voor vijf jaar ook gerechtvaardigd is op basis van dezelfde grondslag.