ECLI:NL:RBMNE:2021:2302 (Verzoek tot alternatieve behandeling COVID-19-patiënt afgewezen)

Rechtbank Midden-Nederland, 20 mei 2021, Verzoek tot alternatieve behandeling Covid-19-patiënt afgewezen
(ECLI:NL:RBMNE:2021:2302)

Essentie

De familie van een patiënt die COVID-19 heeft en er slecht aan toe is, wenst behandeling van die patiënt met de middelen ivermectine, hydroxychloroquine en vitamine C. Het ziekenhuis weigert dit en staat ook niet toe dat een door de familie aangedragen andere arts de behandeling in het ziekenhuis uitvoert. De familie heeft gevorderd het ziekenhuis te bevelen om toe te staan dat een andere arts de gewenste behandeling in het ziekenhuis uitvoert. De voorzieningenrechter heeft op de zitting een mondeling vonnis gewezen, waarbij deze vordering is afgewezen.

Rechtsregel

Het uitgangspunt in deze zaak is dat tussen de patiënt enerzijds en het ziekenhuis en de behandelend artsen anderzijds sprake is van een geneeskundige behandelingsovereenkomst en dat het ziekenhuis en de behandelend artsen in dat kader de zorg van een goed hulpverlener in acht moeten nemen. Bij de invulling van goed hulpverlenerschap staat het patiëntbelang voorop, ingevuld door de medisch professionele standaard. De invulling daarvan in een concreet geval – en in dit geval de beoordeling van de vraag welke behandeling wanneer wel of niet moet worden toegepast – is primair aan de behandelend arts.

Inhoud

Op 10 maart 2021 is de desbetreffende patiënt in het ziekenhuis opgenomen met COVID-19. Op 14 maart 2021 is hij in slaap gebracht en zijn situatie is sindsdien alleen maar verslechterd. De familie van de patiënt heeft de behandelend artsen en het ziekenhuis meerdere malen verzocht het zogenoemde MATH+-protocol op de behandeling van de patiënt toe te passen. Het ziekenhuis heeft dit echter geweigerd. De familie heeft vervolgens meerdere andere artsen bereid gevonden deze behandeling uit te voeren, maar daarvoor is wel nodig dat deze artsen daartoe de gelegenheid wordt gegeven door het ziekenhuis. Ook daartoe is het ziekenhuis niet bereid.

De familie vordert voor de voorzieningenrechter primair het ziekenhuis te bevelen dat zij de door hun aangedragen huisarts toestaat de gewenste behandeling met (minimaal) de middelen ivermectine, hydroxychloroquine en vitamine C uit te voeren en subsidiair het ziekenhuis te bevelen dat zij een door de familie aangedragen gekwalificeerd internist toestaat de gewenste behandeling toe te passen. Ter zitting hebben partijen hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht, vragen van de kantonrechter beantwoord en op elkaars standpunten gereageerd.

Bij de beslissing in deze zaak stelt de voorzieningenrechter voorop dat er alle begrip voor is dat de familie zich maximaal inzet om het leven van hun familielid te redden. De juridische vraag die beantwoord moet worden is echter of de familie het ziekenhuis kan dwingen tot (het faciliteren van) een behandeling waar het niet achterstaat. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de familie het ziekenhuis daar niet toe kan dwingen en legt dit als volgt uit.

De beslissing van het ziekenhuis om de door de familie gewenste behandeling niet toe te passen en dit evenmin te faciliteren, is niet in strijd is met goed hulpverlenerschap. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het inhoudelijke medisch oordeel van de behandelend artsen en de door hen toegepaste behandeling. Het ziekenhuis en de behandelend artsen hebben zorgvuldig gehandeld. Dit alles leidt tot de conclusie dat de familie de gewenste behandeling door het ziekenhuis niet kan afdwingen. Ook kan de familie niet afdwingen dat het ziekenhuis andere artsen toelaat om de gewenste behandeling binnen de muren van het ziekenhuis uit te voeren. Het ziekenhuis geeft wel aan bereid te zijn om te faciliteren dat de patiënt overgeplaatst kan worden naar een ander ziekenhuis waar de gewenste behandeling eventueel wel uitgevoerd kan worden.