ECLI:NL:RBMNE:2020:4244 (Geen straf voor doodschieten man uit noodweer)

Rb. Midden-Nederland 8 oktober 2020. Ontslag van rechtsvervolging voor verdachte die een man doodschoot uit noodweer. Wel een veroordeling voor wapenbezit.
(ECLI:NL:RBMNE:2020:4244)

Essentie

Deze zaak gaat over een 36-jarige verdachte die een man doodschoot in Utrecht. Aan verdachte wordt doodslag ten laste gelegd. De verdachte doet een beroep op noodweer en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er volgens de rechtbank sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, aangezien het slachtoffer op de verdachte af kwam rennen met een mes. Verdachte krijgt wel een gevangenisstraf van 9 maanden voor verboden wapenbezit.

Rechtsregel

De vraag in deze zaak is of er sprake was van noodweer. Om een beroep op noodweer te kunnen doen moet aannemelijk gemaakt worden dat de verdachte zich in een situatie bestond waarin hij eigenlijk niet anders kon handelen dan zich te verdedigen tegen ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Deze verdediging mag overigens de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschrijden. Tot slot mag er geen sprake zijn van culpa in causa.

Inhoud vonnis

Verdachte en slachtoffer hebben op de avond van 30 mei 2019 ruzie. Ongeveer anderhalf uur vóór de schietpartij is er een confrontatie tussen beiden. Het slachtoffer slaat de verdachte en ze lopen allebei weg. Een getuige verklaart dat het slachtoffer op zoek was naar een mes. Camerabeelden laten zien hoe het slachtoffer uit een auto stapt en naar de stoep loopt met een groot mes in zijn hand. Op dit mes is DNA gevonden van het slachtoffer. Slachtoffer liep heel snel richting verdachte en bevond zich naar alle waarschijnlijkheid maar op een afstand van 25 tot 100 centimeter van de verdachte. Verdachte had geen andere keus dan het neerschieten van slachtoffer. Uit camerabeelden blijkt dat dit alles zich heeft voorgedaan binnen zes seconden. Verdachte had daarom niet de mogelijkheid om weg te rennen of om de situatie te de-escaleren. Verdachte moest vrezen voor zijn leven en in de gegeven omstandigheden was het verdedigen met een vuurwapen geoorloofd. Verdachte doet dan ook een beroep op noodweer.

Uit het dossier blijkt dat verdachte en slachtoffer meermaals de confrontatie zochten. De rechtbank toetst of op basis van het dossier is voldaan aan de voornoemde eisen. De rechtbank concludeert dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De gedragingen van het slachtoffer kunnen als zodanig worden gekwalificeerd. Aan de eis van subsidiariteit is voldaan, omdat de verdachte op dat moment geen andere keuze had dan zichzelf te verdedigen tegen deze aanranding. Zich onttrekken aan de situatie was niet mogelijk. Aan de proportionaliteitseis is tevens voldaan, omdat de gedraging van verdachte redelijkerwijs in verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Het mes waarmee verdachte werd aangevallen kon worden gebruikt om zwaar lichamelijk dan wel dodelijk letsel toe te brengen, dus verdachte mocht zich in alle redelijkheid verdedigen met een vuurwapen. Van culpa in causa is geen sprake. Verdachte heeft de aanval niet uitgelokt noch heeft hij de confrontatie opgezocht met het slachtoffer op het moment dat hij op het slachtoffer schoot.

Het beroep op noodweer slaagt. Verdachte liep echter wel rond met een verboden vuurwapen en daarvoor legt de rechtbank hem een gevangenisstraf op van 9 maanden. Voor doodslag wordt verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Benadeelde partijen zijn niet ontvankelijk in hun vordering, omdat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.