ECLI:NL:RBLIM:2021:413 (Beroep op studiekostenbeding slaagt niet)

Rechtbank Limburg, 20 januari 2021, Beroep op studiekostenbeding slaagt niet
(ECLI:NL:RBLIM:2021:413)

Essentie

Na een dienstverband van drie jaar besluit de werknemer om ontslag te nemen en is hij in dienst getreden bij een andere werkgever. De werkgever stelt zich op het punt dat de werknemer nog een gedeelte van de studiekosten moet terugbetalen en beroept zich hierbij op het studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst. Dit beroep slaagt voor de kantonrechter niet nu de financiële consequenties van dit studiekostenbeding niet op voorhand aan de werknemer duidelijk zijn gemaakt.

Rechtsregel

In deze uitspraak neemt de kantonrechter het standaardarrest over het studiekostenbeding Muller/Van Opzeeland over het terugvorderen van loonkosten (van 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2816) als uitgangspunt en past dit analoog toe op het onderhavige studiekostenbeding. In dit arrest is de Hoge Raad ingegaan op de materiële vereisten ten aanzien van een studiekostenbeding waarin het terugvorderen van reeds betaald loon tijdens de studie is vastgelegd. De Hoge Raad heeft overwogen dat het systeem van de wet zich niet verzet tegen een dergelijk studiekostenbeding wanneer het gaat om een regeling die:

a. de tijdspanne vaststelt gedurende welke de werkgever geacht wordt baat te hebben van de door de werknemer tijdens diens studiewerkzaamheden verworven kennis en vaardigheden;

b. bepaalt dat de werknemer, indien de dienstbetrekking eindigt, het loon over die periode aan de werkgever zou moeten terugbetalen, en

c. deze terugbetalingsverplichting vermindert naar evenredigheid van het voortduren van de dienstbetrekking gedurende de onder a. bedoelde tijdspanne.

Inhoud

De werknemer is sinds 29 augustus 2016 in dienst van de werkgever, in de functie van leerling schadehersteller. Onder andere is overeengekomen dat de werknemer één dag in de week naar school gaat, wat door de werkgever wordt vergoed. Hierover is in de arbeidsovereenkomst een studiekostenbeding opgenomen. De werknemer heeft de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2019 opgezegd. Partijen worden het niet eens over de afwikkeling van het dienstverband.

Voor de kantonrechter vordert de werknemer onder andere een verklaring voor recht dat het studiekostenbeding niet rechtsgeldig is. De werkgever voert verweer en vordert in reconventie de terugbetaling van de studiekosten die de werkgever voor de werknemer heeft gemaakt.

Aan de hand van de Muller/Van Opzeeland-criteria oordeelt de kantonrechter dat de wet zich niet verzet tegen het studiekostenbeding. Er geldt echter ook de verplichting dat de werkgever op voorhand duidelijk moet maken wat de consequenties voor de werknemer zijn, indien het tot de situatie komt dat hij studiekosten zou moeten terugbetalen, met name als het gaat om een groot bedrag.

In dit geval betroffen het, in verhouding tot het loon, hoge studiekosten. De werkgever was hier zelf wel van op de hoogte, maar heeft de werknemer hier nooit van op de hoogte gesteld. Hierdoor heeft de werknemer dit ook niet kunnen meenemen bij zijn besluit om het dienstverband op te zeggen. De kantonrechter oordeelt dan ook dat het studiekostenbeding niet voldoende duidelijk is en dat de werknemer hier dan ook niet aan gehouden kan worden.