ECLI:NL:RBLIM:2019:2759 (Schadevergoeding na ophouden voor onderzoek 14-jarige)

Rechtbank Limburg, 19 februari 2019, schadevergoeding na ophouden voor onderzoek.
(ECLI:NL:RBLIM:2019:2759)

Essentie
In deze zaak doet zich de vraag voor of een 14-jarige, die een nacht in de politiecel heeft moeten doorbrengen, recht heeft op een schadevergoeding.

De rechtbank overweegt – gelet op art. 5 EVRM, het feit dat de verzoeker 14 jaar oud was ten tijde van de aanhouding en het feit dat hij vervolgens een nacht in de politiecel heeft moeten doorbrengen – dat het redelijk en billijk is hem een immateriële schadevergoeding toe te kennen.

Inhoud
De 14-jarige jongen in kwestie werd verdacht van medeplichtigheid aan diefstal met geweld in vereniging, op grond waarvan hij om 21.45 uur ’s avonds is aangehouden. De hulpofficier van justitie beval hem op te houden voor onderzoek, waarna de jongen de volgende ochtend om 11.00 uur werd gehoord. Omdat het te laat zou zijn geweest om de jongen nog te verhoren op de avond van zijn aanhouding, heeft hij een nacht in een politiecel moeten doorbrengen, hetgeen op grond van artikel 56a Sv wettelijk is toegestaan.

Nu stelt de advocaat van de jongen zich op het standpunt dat zijn cliënt is aangehouden zonder dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, hetgeen in strijd is met artikel 5 lid 1 sub c EVRM. De jongen heeft echter niet de mogelijkheid om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen bij de raadkamer van de rechtbank op grond van artikel 89 Sv. Dit artikel spreekt immers slechts over de vergoeding van de schade die is ontstaan ten gevolge van “ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis”, hetgeen betekent dat ophouden voor onderzoek buiten de reikwijdte van het artikel valt. De jongen betoogt dat er geen effectieve procedure is waarin de rechtmatigheid van de aanhouding getoetst kan worden en waarmee hij een schadevergoeding voor zijn onterechte vrijheidsbeneming zou kunnen verkrijgen. Hij stelt zich dan ook op het standpunt dat er sprake is van een schending van artikel 5 EVRM, waarvoor hij een compensatie van €250,00 vordert.

Hoewel er volgens de rechtbank geen sprake is van een onrechtmatige aanhouding– immers, de aanhouding vond plaats overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure, hetgeen in overeenstemming is met artikel 5 EVRM – is zij desalniettemin van oordeel dat het redelijk en billijk is de jongen een vergoeding voor zijn immateriële schade toe te kennen. Hierbij neemt zij in ogenschouw dat de jongen slechts 14 jaar was ten tijde van de aanhouding, alsmede het feit dat hij een volledige nacht in de politiecel heeft moeten doorbrengen, hetgeen de nodige impact op de jongen en zijn familie heeft gehad. Om deze reden besluit de rechtbank een schadevergoeding toe te kennen ter hoogte van de vergoeding die doorgaans wordt toegekend voor een verblijf in een politiecel, te weten €105,00 per dag.

De rechtbank ziet geen reden een hogere compensatie toe te kennen. De achterliggende reden hiervoor lijkt te liggen in het feit dat er van een schending van artikel 5 EVRM geen sprake is.