ECLI:NL:RBLIM:2018:3816 (Koopovereenkomst huis via WhatsApp niet rechtsgeldig)

Koopovereenkomst huis via WhatsApp niet rechtsgeldig, Rechtbank Limburg 19 april 2018
(ECLI:NL:RBLIM:2018:3816)

Essentie
In dit kort geding staan koper en verkoper van een woning (beide particulier) lijnrecht tegenover elkaar. Het onderwerp van geschil is of er een perfecte koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. De koper (eiser in conventie, gedaagde in reconventie) stelt dat een koopovereenkomst via WhatsApp kan dienen als een geldige koopovereenkomst. De verkoper (gedaagde in conventie, eiser in reconventie) vindt dat niet, hij heeft inmiddels zelfs een huurder gevonden voor zijn huis.

Rechtsregel
Partijen kunnen het niet eens worden of – krachtens art. 7:2 lid 1 BW – een perfecte koopovereenkomst tot stand is gekomen. In dit artikel is het volgende bepaald: De koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan wordt, indien de koper een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, schriftelijk aangegaan.

Hieromtrent heeft de Hoge Raad in zijn arrest op 9 december 2011 de volgende rechtsregel geformuleerd: (…) Indien mondeling overeenstemming is bereikt over de verkoop van een woonhuis aan een particuliere koper en de verkoper weigert zijn medewerking te verlenen aan het opmaken en ondertekenen van een koopakte, dan mag (ook) de verkoper, mits hij een particulier is, zich erop beroepen dat aan deze mondelinge overeenstemming geen rechtsgevolg toekomt.”

De voorzieningenrechter volgt deze beredenering.

Inhoud vonnis
Gedaagde is eigenaar van een onroerende zaak (woonhuis) en eiser wil dat huis graag kopen. Op 25 februari 2018 worden eiser en gedaagde het eens over de vraagprijs en op 3 maart 2018 stuurt gedaagde een e-mail naar de koper met in de bijlage een concept-koopovereenkomst. Eiser past een paar punten in de overeenkomst aan en stuurt de overeenkomst ondertekend terug naar gedaagde.

Een dag later stuurt eiser een WhatsApp-bericht naar gedaagde, waarin staat: “Hallo [gedaagde sub 1 in conventie, eiser in reconventie], hebben jullie de overeenkomst gelezen en getekend? Of hebben jullie nog vragen? Groet, [eiser in conventie, verweerder in reconventie sub 1].” Gedaagde antwoordt hierop: “Haha ongeduldige. Hij is gelezen en prima volgens wat we hebben besproken opgetekend. Morgen heb jij hem in bezit met onze handtekening.”

Op 9 maart 2018 heeft gedaagde gebeld naar eiser met de mededeling dat de woning niet meer zal worden verkocht. Eiser stuurt diezelfde dag een aangetekende brief naar gedaagde met de mededeling dat hij nakoming vordert van de koopovereenkomst, waarop gedaagde twee dagen later antwoordt dat er geen getekende koopovereenkomst is en dat hij daarom niet zal overgaan tot de verkoop van de woning. Op 22 maart 2018 laat eiser conservatoir beslag tot levering leggen op de woning. Op 1 mei 2018 vindt gedaagde een huurder voor de huidige woning.

Eiser vordert in conventie dat gedaagde de onderhavige woning ontruimt en de sleutels afgeeft aan eiser en dat eiser, bij het geen gehoor geven aan deze vordering, het huis mag laten ontruimen door een deurwaarder en eventueel de politie. Gedaagde stelt als tegeneis dat het beslag onmiddellijk en kosteloos wordt opgeheven en doorgehaald.

Om na te gaan of daadwerkelijk een perfecte koopovereenkomst tot stand is gekomen, bekijkt de rechtbank een arrest van de Hoge Raad. Hierin is overwogen dat “als partijen mondelinge overeenkomst hebben bereikt over de verkoop van een woonhuis aan een particulier en de verkoper zijn medewerking weigert te verlenen aan het opmaken en ondertekenen van een koopakte, dat de verkoper zich ook mag stellen dat aan deze mondelinge overeenkomst geen rechtsgevolg toekomt, mits de verkoper ook een particulier is.”

Naar aanleiding hiervan overweegt de rechtbank dan ook: “Het voorgaande brengt mee dat de particuliere verkoper of koper die, in het geval als omschreven in art. 7:2 lid 1, weigert zijn medewerking te verlenen aan schriftelijke vastlegging van de met zijn wederpartij bereikte wilsovereenstemming met betrekking tot de koop en verkoop van een woonhuis, daartoe niet door een rechterlijk vonnis kan worden gedwongen omdat uit de wet volgt dat hij niet tot zodanige medewerking is verplicht (vgl. art. 3:296 lid 1 BW). Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding is om dezelfde reden geen ruimte.” Volgens eiser is deze rechtsregel echter niet van toepassing, omdat het bovengenoemde WhatsApp-bericht de schriftelijke ondertekening van de koopovereenkomst als bedoeld in art. 7:2 BW vervangt. De voorzieningenrechter ziet het anders.

Een schriftelijke koopovereenkomst is een onderhandse akte op grond van art. 156 lid 3 Rv. Krachtens het eerste lid van dit artikel geldt voor deze akten het vormvoorschrift van ondertekening. Het WhatsApp-bericht kan hier niet onder worden geschaard en moet slechts worden gezien als een toezegging dat gedaagde het concept van de koopovereenkomst zou ondertekenen. Omdat de koopovereenkomst niet door gedaagde is ondertekend als verkopende partij, is niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:2 BW. De voorzieningenrechter wijst eiser er tevens op dat in de koopovereenkomst een clausule is opgenomen waarin staat dat uit de koopovereenkomst pas verplichtingen voortvloeien wanneer beide partijen deze hebben ondertekend.

De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en heft het conservatoir beslag zelf op. Tot slot wordt eiser in conventie, gedaagde in reconventie veroordeeld in de proceskosten.