ECLI:NL:RBGEL:2021:4701 (LinkedIn-berichten in strijd met goed werknemerschap?)

Rechtbank Gelderland, 24 augustus 2021, LinkedIn-berichten mogelijk in strijd met goed werknemerschap
(ECLI:NL:RBGEL:2021:4701)

Essentie

In deze zaak hebben een medewerker [verweerder] en haar werkgever een geschil over het plaatsen van specifieke berichten op LinkedIn door verweerder. Volgens de werkgever zijn deze berichten niet in overeenstemming met het door hem gevoerde beleid. Om die reden heeft hij haar regelmatig verzocht om de desbetreffende berichten niet meer te plaatsen, delen en/of te liken. Hier is verweerder niet mee akkoord gegaan, omdat dit volgens haar een inbreuk op haar recht van meningsuiting zou zijn. Verweerder heeft haar activiteiten voortgezet. Als gevolg van de door hun gezamenlijke mislukte pogingen tot het vinden van een mogelijke oplossing, o.a. door middel van mediation, heeft de werkgever de weg van een ontbindingsprocedure ingeslagen. In deze uitspraak geeft de rechter hierover zijn oordeel.

Rechtsregel

Het recht op vrije meningsuiting dient vooropgesteld te worden, maar aan voornoemd recht bestaat een begrenzing. De verplichting van goed werknemerschap kan er namelijk voor zorgen dat er niet altijd van alles gezegd of, in casu, geplaatst mag worden. Voor de beoordeling van goed werknemerschap dient gekeken te worden naar de feiten en omstandigheden van het geval. Aan de hand van de aspecten die uit het Herbai-arrest volgen, dient er een beoordeling gemaakt te worden. Verder dient er bij die beoordeling gekeken te worden naar het soort berichten en naar de functie van de persoon in kwestie.

Inhoud uitspraak

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden mag worden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW. Daarnaast gaat het om de vraag of sprake is van verwijtbaar handelen aan de zijde van verweerder.

De rechter oordeelt dat voorop moet worden gesteld dat verweerder het recht heeft op vrije meningsuiting. Het recht op vrije meningsuiting is echter, ook in de arbeidsrelatie, niet onbegrensd. Verweerder heeft namelijk de verplichting om zich als goed werknemer te gedragen. De rechter verwijst daarbij naar het Herbai-arrest, waaruit volgt dat bij de beoordeling van goed werknemerschap gekeken dient te worden naar een viertal aspecten, namelijk: de aard van de meningsuiting, de motieven van de werknemer, de schade die de werkgever door de uitingen lijdt en de zwaarte van de opgelegde sanctie.

Allereerst wijst de rechter erop dat er grof gezegd onderscheid kan worden gemaakt tussen de door verweerder geplaatste LinkedIn berichten. Enerzijds betreft dit het plaatsen van berichten met het doel om deel te nemen aan een maatschappelijk debat en anderzijds het plaatsen van berichten waarmee er een grens werd overschreden die niet noodzakelijk was voor het door haar nagestreefde doel. De berichten waarmee verweerder wenste deel te nemen aan een maatschappelijk debat, waarin zij haar persoonlijke standpunt wilde uiten vanwege haar zorgen over de wereldwijde en nationale aanpak van de COVID-19-crisis, vallen volgens de rechter onder de vrijheid van meningsuiting. De berichten die specifiek zijn gericht aan mensen die meewerken aan het landelijke, en ook door haar werkgever (uit)gevoerde vaccinatiebeleid, waarin zij deze mensen (oorlogs)misdadigers noemt die persoonlijk aansprakelijk zijn voor hun handelen, waarin vaccineren als genocide wordt bestempeld en/of waarbij vergelijkingen worden getrokken met de Tweede Wereldoorlog/Jodenvervolging, zijn – het recht op vrijheid van meningsuiting in aanmerking genomen – in strijd met goed werknemerschap. Hierbij is rekening gehouden met de werkelijke – door haar collega’s geleden – schadelijke gevolgen van de berichten.

Bij het opleggen van de sanctie heeft de rechter tevens rekening gehouden met de aard van de functie en het opleidingsniveau van verweerder. Van verweerder mag namelijk worden verwacht dat zij weet hoe zij een inhoudelijk (wetenschappelijk) debat kan voeren. Daarnaast heeft verweerder niet laten blijken dat zij inzag dat zij in een aantal berichten in haar toonzetting te ver is gegaan: ze heeft namelijk nooit afstand gedaan van de inhoud daarvan. Verder heeft zij geen poging ondernomen om de al toegebrachte schade te herstellen. De rechter oordeelt daarom dat onder deze feiten en omstandigheden van haar werkgever in redelijkheid niet langer verlangd kan worden het dienstverband voort te zetten. Het komt er dus op neer dat de arbeidsovereenkomst ontbonden mocht worden vanwege verwijtbaar handelen van verweerder, zonder de door verweerder gevorderde herplaatsingsverplichting.