ECLI:NL:RBGEL:2021:3414 (Wibra mag min-uren laten inhalen)

Rechtbank Gelderland 5 juli 2021, Winkelketen Wibra mag werknemers de uren die zij tijdens corona niet hebben gewerkt, laten inhalen
(ECLI:NL:RBGEL:2021:3414)

Essentie

De Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) komt op voor 1.800 (980 winkelpersoneel) werknemers en vordert in kort geding dat het de winkelketen Wibra wordt verboden om de min-uren van de werknemers te schrijven, als deze het gevolg zijn van de coronamaatregelen van de overheid. Daarnaast wil FNV dat de reeds geschreven min-uren geschrapt worden. FNV beroept zich voor haar vorderingen op de collectieve actie uit art. 3:305a BW.

De cao Retail non-food, waar Wibra onder valt, biedt in art. 4 aan de werkgever de mogelijkheid om werknemers flexibel in te zetten. FNV is van mening dat deze bepaling niet ziet op de coronasituatie en dat Wibra zich niet als goed werkgever opstelt door na het ontvangen van de NOW nu ook de min-uren in te laten halen. De voorzieningenrechter gaat in op de uitleg van de cao en ziet in art. 4 cao geen strijd met art. 7:628 BW. Daarnaast heeft Wibra het personeel tijdens het niet werken door corona volledig doorbetaald. Wibra kan dus gewoon een beroep doen op de cao-bepaling.

Rechtsregel

Omdat de FNV zelf geen partij is bij de cao zoekt zij toegang tot de rechter op grond van de collectieve actie uit art. 3:305a BW.

Art. 7:628 BW bepaalt dat het loon moet worden doorbetaald wanneer er geen werk is, tenzij het niet werken in redelijkheid voor rekening van de werknemer moet komen. Deze situatie doet zich hier niet voor nu de lonen door Wibra tijdens het niet werken zijn doorbetaald.

De uitleg van de cao wordt betwist. De rechtbank overweegt dat cao-bepalingen dienen te worden uitgelegd aan de hand van de bewoordingen ervan, in het licht van de volledige tekst, waarbij mede acht geslagen kan worden op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden tekstinterpretaties zouden leiden. Ondanks dat de coronasituatie niet beoogd kon zijn, voorziet de cao-bepaling in de opvang van substantiële pieken en dalen.

Inhoud uitspraak

Allereerst gaat de rechtbank in op de formele verweren. FNV voldoet met haar vordering aan alle vereisten die art. 3:305a BW stelt en is daarmee ontvankelijk. Ook het feit dat waarschijnlijk slechts een minderheid van het personeel van Wibra geen lid is van de FNV staat niet aan het beroep op dit artikel in de weg. FNV is als grote landelijke opererende werknemersvereniging voldoende representatief.

Als laatste formele verweer heeft Wibra aangevoerd dat geen sprake is van een spoedeisend belang, wat vereist is voor de kortgedingprocedure. De rechter gaat niet mee in dit verweer en acht het feit dat in de visie van FNV het winkelpersoneel momenteel zonder betaling werkt, genoeg om de behandeling door de voorzieningenrechter te rechtvaardigen.

Met betrekking tot de inhoud van de zaak stelt de rechter voorop dat het gebruikelijk is dat in cao’s afspraken worden gemaakt over de flexibele inzet van werknemers, waarbij pieken en dalen kunnen worden opgevangen zonder dat dat invloed heeft op het vaste loon van het personeel. Voor zover deze afspraken binnen de wettelijke grenzen vallen, zijn zij rechtsgeldig.

Het standpunt van FNV is dat art. 4 cao in strijd is met art. 7:628 BW en dat daarom de bepaling als nietig zou moeten worden gekwalificeerd. De toepassing van art. 4 cao zou namelijk leiden tot de situatie waarin het risico van het niet kunnen werken in plaats van bij de werkgever bij de werknemers komt te liggen. De voorzieningenrechter ziet dit anders. De situatie uit art. 7:628 lid 1 BW doet zich hier niet voor. Wibra heeft ondanks de ingrijpende problemen als gevolg van de corona-pandemie de lonen steeds volledig voldaan, ook toen de winkels tijdelijk gesloten waren. Art. 4 cao is daarom niet nietig.

FNV heeft ook aangevoerd dat dat Wibra art. 4 cao toegepast heeft in een situatie waarvoor het artikel niet bedoeld is. Het opvangen van piek en ziek is iets anders dan het structureel en substantieel schrijven van min-uren in geval van een pandemie. Het gevolg voor de werknemers is dat zij nu een langere periode beschikbaar moeten zijn om boven op hun reguliere arbeidsomvang de geschreven min-uren in te halen. Nu de uitleg van de cao betwist wordt, overweegt de rechtbank dat cao-bepalingen dienen te worden uitgelegd aan de hand van de bewoordingen ervan, in het licht van de volledige tekst, waarbij mede acht geslagen kan worden op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden tekstinterpretaties zouden leiden. Indien de bedoeling van de cao-partijen kenbaar is, kan die bedoeling een rol spelen bij de uitleg. Hoewel de coronasituatie niet bij het sluiten van de cao voor ogen zal hebben gestaan, voorziet de tekst van de bepalingen wel degelijk in het opvangen van substantiële pieken en dalen, begrensd door de referteperiode. Het overmatig beschikbaar moeten zijn door de werknemers doet zich niet voor. De werknemer met een flexibel contract heeft zich immers op grond van de afspraken steeds beschikbaar te houden voor het werken van extra uren binnen de in de cao opgenomen bandbreedte.

Tot slot heeft FNV Wibra, door enerzijds gebruik te maken van de NOW-subsidies en anderzijds de geregistreerde min-uren bij de werknemers in rekening te brengen, aangemerkt als niet goed werkgever op grond van art. 7:611 BW. De FNV heeft miskend dat Wibra deze subsidies volledig heeft aangewend voor de betaling van de lonen, ook in de periode dat niet gewerkt werd.

De rechtbank concludeert dat Wibra haar werknemer aan de afspraak houdt om per jaar een gemiddeld aantal uren te werken. Gemiddeld dient het winkelpersoneel over de resterende weken van 2021 veertig minuten aan min-uren boven het aantal basisuren te werken.

De gevraagde voorzieningen worden geweigerd.