ECLI:NL:RBGEL:2021:1388 (Anonimiteit zaaddonor)

Rechtbank Gelderland 24 maart 2021
(ECLI:NL:RBGEL:2021:1388)

Essentie

In deze zaak wijst de rechtbank de vordering van een uit kunstmatige donorinseminatie geboren dochter aan een ziekenhuis om de identiteit van de zaaddonor te onthullen af, nadat de zaaddonor zijn aanvankelijke instemming met het delen van zijn gegevens heeft ingetrokken.

Rechtsregel

Het ziekenhuis hoeft de gegevens van een zaaddonor niet te verstrekken, als hij zijn aanvankelijke instemming met het delen van zijn gegevens naderhand heeft ingetrokken. De dochter heeft in beginsel recht op die gegevens, maar deze kunnen slechts aan haar worden verstrekt nadat een afweging heeft plaatsgevonden tussen haar belangen en die van de donor. Aangezien de donor geen partij is in deze zaak kan de rechtbank een dergelijke belangenafweging niet maken. De rechtbank realiseert zich dat dit een onbevredigende slotsom is. De wetgever is aan zet om een belangenafweging alsnog mogelijk te maken.

Inhoud arrest

In deze zaak draait het om kunstmatige donorinseminatie, waarbij een moeder in 1998 een ivf-behandeling in het ziekenhuis heeft ondergaan en hieruit een dochter is geboren. De moeder heeft speciaal gekozen voor een donor die had aangegeven dat zijn gegevens niet geheim hoefden te blijven. Dit was door het ziekenhuis voorgeschreven en ook de uitdrukkelijke wens van de moeder. In 2017 heeft de dochter het ziekenhuis gevraagd om de gegevens van de donor te verstrekken. Het ziekenhuis heeft dit geweigerd, omdat de donor zijn aanvankelijke instemming met het delen van zijn gegevens naderhand in heeft getrokken. Volgens wetgeving uit 2004 moet het ziekenhuis de wens van de donor om anoniem te blijven respecteren. De dochter is het hier niet mee eens en vordert daarom de verstrekking van de gegevens van de donor.

De rechtbank oordeelt dat het ziekenhuis de verlangde gegevens niet hoeft te verstrekken. Er is geen wettelijke regeling waaruit volgt dat een kind, dat is verwekt met zaad van een donor die ten tijde van de inseminatie had verklaard geen bezwaar te hebben tegen verstrekking van zijn gegevens aan zijn kunstmatig verwekte nakomelingen, aanspraak heeft en houdt op verstrekking van de gegevens van de donor. Uit de overgangsbepaling van art. 12 lid 3 van de WDKB volgt, in tegendeel, dat ook de gegevens van een dergelijke bekende donor die vóór 1 juni 2004 heeft gedoneerd, zoals in dit geval, slechts met instemming van de donor mogen worden verstrekt.

De dochter heeft in beginsel recht op die gegevens, maar deze kunnen slechts aan haar worden verstrekt nadat een afweging heeft plaatsgevonden tussen haar belangen en die van de donor. Aangezien de donor geen partij is in deze zaak kan de rechtbank een dergelijke belangenafweging niet maken, ook niet door middel van een deskundigenonderzoek. De onbevredigende slotsom is daardoor dat niet kan worden beoordeeld of de belangen van de dochter prevaleren boven die van de zaaddonor. De rechtbank kan de belangen van de zaaddonor evenmin, als onvoldoende gemotiveerd toegelicht, ondergeschikt achten aan de belangen van de dochter. De reden dat de belangen van de zaaddonor niet voldoende uit de verf zijn gekomen is immers juist gelegen in de anonimiteit van de zaaddonor; de kern van deze procedure. Hier is de grens bereikt van wat de rechter kan beslissen en is de wetgever aan zet. De gevorderde verstrekking van gegevens door het ziekenhuis is daarom niet toewijsbaar.