ECLI:NL:RBGEL:2020:146 (Afwijzing vordering tot tenuitvoerlegging)

Rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, 13 januari 2020, Afwijzing vordering tot tenuitvoerlegging
(ECLI:NL:RBGEL:2020:146)

Essentie

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het opzettelijk handelen in en aanwezig hebben van cocaïne. Voorts is een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde wegens het overtreden van de algemene voorwaarde, te weten het plegen van een nieuw strafbaar feit gedurende de proeftijd. De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft gepleegd, terwijl hij nog niet zo lang in de proeftijd liep, en dat het om soortgelijke strafbare feiten gaat, namelijk het handelen in drugs.

Op 1 januari 2020 is de Wet USB (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Staatsblad 2017, 82) in werking getreden. Met de invoering van deze wet staat tegen een TUL-beslissing algemene voorwaarden geen hoger beroep meer open (artikel 6:6:7 in combinatie met artikel 6:6:22 van het Wetboek van Strafvordering). Dit betekent dat de beslissing van de rechter in eerste aanleg tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke veroordeling wegens overtreding van (doorgaans) de algemene voorwaarde meteen executeerbaar en onherroepelijk is, ook wanneer hoger beroep wordt ingesteld tegen de veroordeling voor dat nieuwe strafbare feit. De TUL-beslissing algemene voorwaarde wordt derhalve na de beslissing door de rechtbank losgekoppeld van de uiteindelijke beoordeling van die nieuwe strafzaak, terwijl die nieuwe strafzaak de grondslag vormt voor de TUL-vordering.

Rechtsregel

De rechtsvraag die hier aan de orde is, raakt aan fundamentele principes, zoals voortvloeiend uit de onschuldpresumptie en zoals neergelegd in (thans) artikel 6:1:16 Sv (557 Sv oud). Weliswaar voorziet de wet in een aantal uitzonderingen op het uitgangspunt dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer wordt gelegd als deze onherroepelijk is geworden, maar deze gevallen zijn daarbij met waarborgen omringd (bijvoorbeeld artikel 6:6:6 Sv). Daarvan is bij artikel 6:6:7 Sv geen sprake. Bij (gedeeltelijke) vrijspraak in hoger beroep kan de in die strafzaak wegens overtreding van de algemene voorwaarde in eerste aanleg gelaste tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf desondanks worden voortgezet met een beroep op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Niet goed denkbaar is dat deze onbillijke uitkomst is beoogd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit gevolg van het bepaalde in artikel 6:6:7 Sv in strijd met artikelen 5 en 6 EVRM (het recht op vrijheid en het recht op een eerlijk proces).

Inhoud arrest

Naar het oordeel van de rechtbank is gezien de wetgevingsgeschiedenis onvoldoende duidelijk dat hiermee de situatie is onderkend en bedoeld te ondervangen dat in hoger beroep vrijspraak volgt. In dat geval doet zich de situatie voor dat niet bewezen verklaard wordt dat verdachte een (nieuw) strafbaar feit heeft gepleegd, terwijl dan inmiddels de eerdere – en van het rechterlijk oordeel in die nieuwe strafzaak afhankelijke – beslissing tot tenuitvoerlegging wegens het plegen van dat nieuwe strafbare feit onherroepelijk en executeerbaar is.

Eenvoudig gezegd: de betrokkene moet straf ondergaan (de eerdere voorwaardelijke veroordeling) om een reden (het plegen van een nieuw strafbaar feit) die later geen stand blijkt te houden (alsnog vrijspraak). Dit komt erop neer dat die verdachte de eerdere voorwaardelijke straf dan dus heeft of zal ondergaan, niet omdat hij voor een nieuw strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld, maar alleen omdat hij verdachte is geweest in een nieuwe strafzaak. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever zich hierover heeft uitgelaten.

Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vordering tenuitvoerlegging van de eerdere voorwaardelijke veroordeling wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit dient te worden afgewezen, ook al acht de rechtbank de feiten in deze zaak bewezen. Dat de verdachte de feiten deels heeft bekend, maakt dit naar het oordeel van rechtbank niet anders. Ook in dat geval is immers niet uitgesloten dat de rechter in hoger beroep tot een gedeeltelijke vrijspraak en een beperktere bewezenverklaring komt dan de rechter in eerste aanleg, terwijl de wetsgeschiedenis niet duidelijk maakt of de wetgever ook in dat geval de ruimte van de appelrechter om de nieuwe strafzaak en de vordering tenuitvoerlegging wegens overtreding van de algemene voorwaarde in samenhang te bezien, heeft willen beperken.