ECLI:NL:RBDHA:2021:5337 (Klimaatzaak Royal Dutch Shell)

Rechtbank Den Haag, 26 mei 2021
(ECLI:NL:RBDHA:2021:5337)

Essentie

De rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat Royal Dutch Shell de CO2-uitstoot eind 2030 terug moet brengen tot netto 45% ten opzichte van het niveau van 2019.

Rechtsregel

De rechtsvraag die in deze zaak centraal staat, is de vraag of Shell zich voldoende inspant voor CO2-reductie. De rechtbank oordeelt dat Royal Dutch Shell (hierna: Shell) verplicht is om via het concernbeleid van de Shell-groep te zorgen voor een CO2-reductie van de Shell-groep, haar toeleveranciers en afnemers. Dat vloeit voort uit de op  Shell rustende ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, die geldt op grond van de feiten, breed gedragen inzichten en internationaal aanvaarde standaarden. Van belang is dat Shell het beleid van de Shell-groep hieromtrent heeft aangescherpt en bezig is om dat uit te werken. Omdat het beleid echter niet concreet is, vele voorbehouden kent en uitgaat van het volgen van de maatschappelijke ontwikkelingen in plaats van een eigen verantwoordelijkheid om te zorgen voor CO2-reductie, oordeelt de rechtbank dat sprake is van een dreigende schending van de reductieverplichting.

Inhoud arrest

Deze procedure is aangespannen door zeven stichtingen en verenigingen en ruim 17.000 individuele eisers. Volgens de eisers doet Shell als beleidsbepalend hoofd van de Shell-groep onvoldoende, handelt zij onrechtmatig en moet zij meer doen om de CO2-uitstoot te verminderen. De eisers vorderden dat de CO2-emissies in 2030 ten opzichte van het niveau van 2019 moeten worden teruggebracht met 45%,  dan wel met 35% of 25%.

De rechtbank overweegt ten eerste dat Shell verplicht is om via het concernbeleid van de Shell-groep te zorgen voor CO2-reductie van de Shell-groep, haar toeleveranciers en afnemers. Dat volgt uit de voor Shell geldende ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, die de rechtbank heeft ingevuld aan de hand van de feiten, breed gedragen inzichten en internationaal aanvaarde standaarden.

De Shell-groep is wereldwijd één van de grootste producenten en aanbieders van fossiele brandstoffen is. De CO2-uitstoot van de Shell-groep, haar toeleveranciers en afnemers is groter dan die van vele landen. Dit draagt bij aan de opwarming van de aarde, die tot gevaarlijke klimaatverandering leidt en ernstige risico’s meebrengt voor mensenrechten, zoals het recht op leven en een ongestoord gezinsleven. Algemeen aanvaard is dat bedrijven mensenrechten moeten respecteren. Dat is een zelfstandige verantwoordelijkheid van bedrijven, die losstaat van wat staten doen. Deze verantwoordelijkheid strekt zich ook uit over de toeleveranciers en de afnemers. Shell heeft een resultaatsverplichting ten aanzien van de CO2-uitstoot van de Shell-groep zelf.
Ten aanzien van de toeleveranciers en afnemers geldt een zwaarwegende inspanningsverplichting, die inhoudt dat Shell via het concernbeleid van de Shell-groep haar invloed moet aanwenden, door bijvoorbeeld via het aankoopbeleid eisen te stellen aan toeleveranciers. Shell heeft alle vrijheid om de reductieverplichting naar eigen inzicht na te komen en het concernbeleid van de Shell-groep vorm te geven. De offers die dit vraagt, wegen op tegen het belang dat wordt gediend met het tegengaan van gevaarlijke klimaatverandering.

De rechtbank is niet van mening niet dat Shell deze verplichting op dit moment al schendt, zoals eisers stellen. Shell heeft het beleid van de Shell-groep aangescherpt en is bezig om dat uit te werken. Omdat het beleid niet concreet is, vele voorbehouden kent en uitgaat van het volgen van de maatschappelijke ontwikkelingen in plaats van een eigen verantwoordelijkheid om te zorgen voor CO2-reductie, oordeelt de rechtbank dat sprake is van een dreigende schending van de reductieverplichting. De rechtbank oordeelt daarom dat Shell via het concernbeleid van de Shell-groep de CO2-uitstoot van die groep, haar toeleveranciers en afnemers, eind 2030 terug moet brengen tot netto 45% ten opzichte van het niveau van 2019.