ECLI:NL:RBDHA:2021:2457 (Het UBO-register schendt privacy (nog) niet)

Rechtbank Den Haag, 18 maart 2021, Het UBO-register schendt privacy (nog) niet
(ECLI:NL:RBDHA:2021:2457) 

Essentie

Ingevolge de vierde en vijfde Europese anti-witwasrichtlijn (hierna: de richtlijnen) dienen lidstaten de persoonsgegevens van de ultimate beneficial owners (hierna: de UBO’s) in een register op te nemen en publiek te maken. De UBO’s zijn de personen die de uiteindelijke gerechtigden zijn van of zeggenschap hebben over een onderneming. Een deel van de gegevens moet op aanvraag beschikbaar zijn voor iedere burger. Het UBO-register moet witwassen, belastingontduiking en de financiering van terrorisme voorkomen. Door het UBO-register te raadplegen kunnen partijen ook een beter beeld krijgen van met wie ze zakendoen. De UBO-registratieplicht geldt in Nederland sinds 27 september 2020.

Wel is kritiek ontstaan over het feit dat de privacy en bescherming van de UBO’s in het geding is door het publiekelijke karakter van de richtlijnen. De richtlijnen geven wel mogelijkheden om van de hoofdregel af te wijken en gegevens voor bepaalde groepen niet publiekelijk te maken. Dit mag bijvoorbeeld indien bepaalde groepen risico lopen door het openbare karakter. Nederland heeft echter gekozen om slechts in heel specifieke gevallen de gegevens niet openbaar te maken, zoals voor minderjarige UBO’s en personen onder politiebescherming. Vermogende personen zijn nu bang dat criminelen met het UBO-register hun vermogen kunnen traceren en overgaan tot ontvoeringen of overvallen. De Stichting Privacy First spreekt van een massale privacyschending, die tevens persoonlijke veiligheidsrisico’s creëert. Zij spannen een kort geding aan tegen de Staat.

Rechtsregel

De vraag of Europese richtlijnen een inbreuk maken op de grondrechten valt onder de exclusieve bevoegdheid van het Hof van Justitie. De voorzieningenrechter mag in het kort geding dus niet zelf toetsen of de richtlijnen rechtmatig zijn. Dit betekent dat Nederland verplicht is de Europese wetgeving uit te voeren, nu deze nog geldig en van kracht is. Het Nederlandse UBO-register wordt dus niet buiten werking gesteld.

Inhoud uitspraak

Stichting Privacy First vordert in dit kort geding een (voorlopige) buitenwerkingstelling van de Nederlandse implementatiewetgeving van de richtlijnen. Zij stelt primair dat het UBO-register en de richtlijnen een inbreuk maken op het Europeesrechtelijke grondrecht van bescherming van de privacy en persoonsgegevens. Deze schending is volgens de stichting ook niet evenredig ten opzichte van de te behalen doelstellingen. Indien de buitenwerkingstelling niet mogelijk is, vordert Stichting Privacy First dat de rechter prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie over een mogelijke inbreuk op de grondrechten door de invoering van het UBO-register.

De rechter overweegt dat de vierde en vijfde anti-witwasrichtlijn tot op heden geldig en van kracht zijn. De vraag of Europese richtlijnen een inbreuk maken op de grondrechten valt onder de exclusieve bevoegdheid van het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie heeft zich echter nog niet uitgelaten over de rechtmatigheid van deze richtlijnen. De voorzieningenrechter mag in het kort geding dus niet zelf toetsen of de richtlijnen rechtmatig zijn. Dit betekent dat Nederland verplicht is de Europese wetgeving uit te voeren, nu deze nog geldig en van kracht is. Het Nederlandse UBO-register wordt dus niet buiten werking gesteld.

Vervolgens ziet de voorzieningenrechter wel een mogelijkheid om vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De EDPS, een onafhankelijk Europees orgaan dat toezicht houdt op gegevensbescherming, heeft twijfels over het openbare karakter van het UBO-register. Het is namelijk niet evenredig aan de doelstellingen van de richtlijnen. De EDPS adviseert de gegevens alleen bekend te maken aan autoriteiten of entiteiten die de wetten moet handhaven. Dit advies kan meebrengen dat het Hof van Justitie het openbare karakter van het Nederlandse UBO-register (en de richtlijnen) niet evenredig acht aan de doelstellingen. De voorzieningenrechter kan daarom prejudiciële vragen stellen over het openbare karakter. Desalniettemin doet hij dat niet, omdat een Luxemburgse rechter al min of meer dezelfde vraag heeft gesteld aan het Hof van Justitie. Het kort geding wordt niet aangehouden in afwachting van de beantwoording van die prejudiciële vragen, vanwege de lange duur van de prejudiciële procedure.

De voorzieningenrechter lijkt twijfels te hebben over de rechtmatigheid van de richtlijnen. De vordering van Stichting Privacy First ‘loopt daarmee in feite op de muziek vooruit’ volgens de voorzieningenrechter. Het is echter uiteindelijk aan het Hof van Justitie om te bepalen of de vierde en vijfde anti-witwasrichtlijn de privacy schenden van de UBO’s.