ECLI:NL:RBDHA:2020:8574 (Re-integratie Frank P.)

Rechtbank Den Haag, 4 september 2020, Re-integratie Frank P.
(ECLI:NL:RBDHA:2020:8574)

Essentie

Frank P., die in 1996 tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld wegens het plegen van zeven levensdelicten, wordt (vooralsnog) niet toegelaten tot de re-integratiefase.

Rechtsregel

De levenslange gevangenisstraf is op zichzelf beschouwd niet in strijd met artikel 3 EVRM. Uit de jurisprudentie volgt echter dat oplegging hiervan in strijd komt met artikel 3 EVRM, indien er geen reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaat, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling. Bij die herbeoordeling moet de vraag aan de orde komen of zich zodanige veranderingen aan de kant van de veroordeelde hebben voltrokken en of hij of zij zodanige vooruitgang heeft geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd.

In deze zaak heeft het Adviescollege Levenslanggestraften een negatief advies gegeven om Frank P. toe te laten tot de re-integratiefase, omdat hij zich bij het onderzoek door het Pieter Baan Centrum en de Reclassering terughoudend heeft opgesteld en niet of nauwelijks wilde praten over zichzelf, zijn sociale netwerk en zijn toekomstplannen. Hierdoor zijn de onderzoeken beperkt gebleven en hebben de onderzoekers geen uitspraak kunnen doen over de aan- of afwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis en recidiverisico.

Inhoud vonnis

Frank P. is op 26 april 1996 tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld wegens het plegen van zeven levensdelicten. Het Adviescollege Levenslanggestraften (ACL) heeft in 2019 geadviseerd om Frank P. (vooralsnog) niet toe te laten tot de re-integratiefase. Deze fase omvat activiteiten die zijn bedoeld om een levenslanggestrafte voor te bereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving. De Minister heeft dit advies van het ACL gevolgd. Frank P. is het niet eens met deze beslissing. Volgens hem is de gevolgde procedure die tot die beslissing heeft geleid niet op alle punten zorgvuldig geweest. Zo heeft hij, onder meer, niet over verslagen van hoorzittingen kunnen beschikken. Volgens hem wordt hiermee in strijd met artikel 3 EVRM gehandeld, dat bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De rechtbank benadrukt dat uit de jurisprudentie volgt dat de levenslange gevangenisstraf op zichzelf beschouwd niet in strijd is met artikel 3 EVRM, ook niet als de straf volledig ten uitvoer wordt gelegd. Uit de jurisprudentie volgt echter ook dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd komt met artikel 3 EVRM, indien er geen reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaat, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling.  Bij die herbeoordeling moet de vraag aan de orde komen of zich zodanige veranderingen aan de kant van de veroordeelde hebben voltrokken en of hij of zij zodanige vooruitgang heeft geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Het bieden van een mogelijkheid tot herbeoordeling impliceert niet dat dit altijd tot verkorting van de straf leidt. De uitkomst kan immers zijn dat er gerechtvaardigde gronden zijn om de levenslange straf te laten voortduren, zoals de bescherming van de samenleving vanwege het recidiverisico.

De rechtbank oordeelt dat het advies van het ACL dat tot de beslissing heeft geleid om Frank P. niet toe te laten tot de re-integratiefase,  niet onzorgvuldig of onjuist is. Uit het advies komt naar voren dat de hoorzittingen geen beslissende rol hebben gespeeld in het advies om Frank P. niet tot de re-integratiefase toe te laten. Stukken van het onderzoek van Frank P. in het Pieter Baan Centrum en het reclasseringsrapport over hem heeft hij wel vooraf ontvangen. Juist die stukken zijn bepalend geweest voor het eindoordeel. Er is met name een negatief advies gegeven, omdat Frank P. zich bij het onderzoek door het Pieter Baan Centrum en de Reclassering terughoudend heeft opgesteld en niet of nauwelijks wilde praten over zichzelf, zijn sociale netwerk en zijn toekomstplannen. Hierdoor zijn de onderzoeken beperkt gebleven en hebben de onderzoekers geen uitspraak kunnen doen over de aan- of afwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis en het recidiverisico. Uit het advies blijkt duidelijk dat het ACL alleen al hierom heeft geadviseerd Frank P. nog niet voor re-integratieactiviteiten in aanmerking te laten komen. De voorzieningenrechter acht dit advies in het licht van de verrichte onderzoeken zonder meer begrijpelijk.

Het ACL zal overigens binnen twee jaar opnieuw moeten beoordelen of P. alsnog kan worden toegelaten tot de re-integratiefase.