ECLI:NL:RBDHA:2019:9506 (Levensbeëindiging diep demente vrouw door arts)

Rechtbank Den Haag, 11 september 2019, Levensbeëindiging diep demente vrouw door arts
(ECLI:NL:RBDHA:2019:9506)

Essentie
In deze zaak gaat het, kort gezegd, om het feit dat de verdachte – destijds specialist ouderengeneeskunde  – het leven van een 74-jarige demente vrouw (hierna: patiënte) heeft beëindigd.

De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of de patiënte een uitdrukkelijk en ernstig verlangen had om haar leven te laten beëindigen. Als die vraag met ‘nee’ wordt beantwoord, dan moet de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde verwijt van moord althans doodslag beoordelen. Als die vraag met ‘ja’ wordt beantwoord, moet de rechtbank nagaan of de verdachte zich bij de levensbeëindiging aan de zorgvuldigheidseisen van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) heeft gehouden en of zij de levensbeëindiging heeft gemeld bij de gemeentelijk lijkschouwer. Als de verdachte aan dat alles heeft voldaan moet dat leiden tot het oordeel dat het feit niet strafbaar is.

Onder “uitdrukkelijk en ernstig verlangen” wordt, kortgezegd, verstaan het ondubbelzinnig kenbaar maken van een serieuze, weloverwogen en duurzame wil, verbaal of non-verbaal, door iemand die geestelijk niet in de war is. Een eenmalig geuit verlangen is daarbij niet toereikend.

De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de criteria die blijkens de wetsgeschiedenis, de juridische literatuur en de jurisprudentie worden gesteld aan ‘uitdrukkelijk en ernstig verlangen’. Nu voorts vaststaat dat de verdachte op 22 april 2016 het leven van patiënte heeft beëindigd door toediening van euthanatica, is het primair tenlastegelegde feit (artikel 293 Sr) wettig en overtuigend bewezen.

Rechtsregel
Kan de verdachte zich met vrucht beroepen op de bijzondere strafuitsluitingsgrond voor artsen zoals genoemd in artikel 293 lid 2 Sr, waarmee zij heeft voldaan aan de overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Wtl geformuleerde zorgvuldigheidseisen?
De conclusie van de rechtbank luidt dat de verdachte aan alle in artikel 2 lid 1 Wtl geformuleerde zorgvuldigheidseisen heeft voldaan. De rechtbank stelt bovendien vast dat de verdachte de levensbeëindiging op de voorgeschreven wijze heeft gemeld aan de gemeentelijke lijkschouwer. Deze melding vormt een bestanddeel van de in artikel 293 lid 2 Sr geformuleerde strafuitsluitingsgrond. Dit betekent dat het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is en dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

Inhoud arrest
In oktober 2012 hoorde de patiënte dat zij dementie type Alzheimer had. Kort daarna heeft zij een schriftelijk euthanasieverzoek, alsmede een dementieclausule getekend. Uit de dementieclausules blijkt dat de patiënte bij vergevorderde dementie beslist niet in een verpleeghuis wilde worden opgenomen. De patiënte heeft regelmatig met haar huisarts en geriater gesproken over de dementieclausules. Zowel de huisarts als de geriater waren van mening dat de patiënte wilsbekwaam was toen zij de euthanasieverklaring en dementieclausules tekende. Ook besprak zij haar euthanasiewens vaak en jarenlang met haar echtgenoot en dochter.

Halverwege 2015 ging de patiënte hard achteruit en in januari 2016 was zij voor het laatste bij de huisarts, die stelde vast dat patiënte niet meer wist wat het woord euthanasie betekende. Zij was toen ook niet meer wilsbekwaam. Begin 2016 werd de patiënte opgenomen in het verpleeghuis waar verdachte op dat moment werkte als specialist ouderengeneeskunde. Verdachte hoorde van de echtgenoot van patiënte dat er een wilsverklaring was en onderzocht of het op basis van die verklaring mogelijk was om euthanasie te plegen.

Uit de observaties en gesprekken met patiënte kwam het beeld naar voren dat patiënte een diep demente, wilsonbekwame vrouw was geworden die een enorme ontluistering van haar persoon had doorgemaakt en nog steeds doormaakte. Medicijnen om haar toestand te verlichten hielpen niet.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht de verdachte op basis van de bevindingen van de huisarts, de geriater, de twee SCEN-artsen, de echtgenoot, de dochter en haar eigen bevindingen als terzake kundig arts tot de conclusie komen dat patiënte ten tijde van het opstellen van het euthanasieverzoek en de dementieclausules wilsbekwaam was. Derhalve mocht de verdachte ervan uitgaan dat die verklaringen ondubbelzinnig de serieuze, weloverwogen en duurzame wil van patiënte kenbaar maakten tot levensbeëindiging bij opname in een verpleeghuis wegens vergevorderde dementie.

Op 22 april 2016 heeft verdachte het verzoek van de patiënte dan ook ingewilligd.

Ten aanzien van de zorgvuldigheidseisen als genoemd in artikel 2 lid 1 Wtl heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
Lid 1. De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 293, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, houden in dat de arts:
a. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt;
Rb: Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte haar afweging dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek op zorgvuldige wijze en met inachtneming van de relevante omstandigheden gemaakt.

a. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt;
Rb: De door de verdachte geraadpleegde SCEN-artsen deelden het oordeel van de verdachte dat sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënte. De rechtbank kan slechts marginaal toetsen en vindt dat het professioneel oordeel van de verdachte op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

b. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten;
Rb: Ten aanzien van deze zorgvuldigheidseis geldt dat deze moet worden toegepast voor zover de feitelijke situatie dit toelaat. Aangezien patiënte al wilsonbekwaam en diep dement was toen de verdachte voor het eerst met haar in contact kwam, heeft verdachte niet zelf de patiënte voor kunnen lichten, maar heeft de vereiste overtuiging dat aan deze zorgvuldigheidseis is voldaan moeten krijgen op basis van haar eigen beoordeling van het medisch dossier en de concrete situatie van de patiënte, overleg met andere hulpverleners die een behandelrelatie hadden met patiënte en overleg met familie en naasten. De rechtbank is van oordeel dat aan deze zorgvuldigheidseis is voldaan.

c. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was;
Rb: De verdachte heeft geprobeerd met medicatie het lijden van de patiënte te verlichten, maar dit bood echter geen soelaas. De door de verdachte geconsulteerde psychiater, tevens SCEN-arts, heeft in haar consultatieverslag aangegeven dat ook zij geen alternatieve behandelopties zag. De rechtbank is van oordeel dat ook aan deze zorgvuldigheidseis is voldaan.

d. ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d;
Rb: De verdachte heeft om reden van haar deskundigheid een psychiater, die tevens SCEN-arts was en een SCEN-arts (internist) geconsulteerd. Deze beide artsen hebben de patiënte zelf gezien en hebben hun schriftelijk oordeel gegeven. Dat oordeel luidt dat voldaan is aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen voor euthanasie. Naar het oordeel van de rechter is ook aan deze zorgvuldigheidseis voldaan.

e. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.
Rb: De rechtbank is van oordeel dat de euthanasie zorgvuldig is uitgevoerd.

Lid 2. Indien de patiënt van zestien jaren of ouder niet langer in staat is zijn wil te uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat werd geacht, en een schriftelijke verklaring, inhoudende een verzoek om levensbeëindiging, heeft afgelegd, dan kan de arts aan dit verzoek gevolg geven.
Rb: Het staat vast dat patiënte ten tijde van de levensbeëindiging wilsonbekwaam en diep dement was. Tevens staat vast dat patiënte wilsbekwaam was ten tijde van het opstellen van de schriftelijke verklaring inhoudende een verzoek tot levensbeëindiging, waardoor verdachte hieraan gevolg kon geven.

Tot slot verdient het nog opmerking dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel is dat, gegeven de diep demente toestand waarin de patiënte zich inmiddels bevond, op de verdachte niet de plicht rustte te informeren naar de actuele levens- of stervenswens van de patiënte. De specifieke positie van de wilsonbekwame patiënte brengt met zich dat mondelinge verificatie van zijn wens en zijn lijden niet mogelijk is.

De rechtbank verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte terzake van alle rechtsvervolging.