ECLI:NL:RBDHA:2016:15014 (zaak Wilders II)

Wilders II, RB DH 09 december 2016, NJFS 2017/22
ECLI:NL:RBDHA:2016:15014

Noot: Aangezien dit een lang vonnis betreft, zijn niet alle overwegingen van de rechtbank meegenomen in deze samenvatting. Voor een volledig beeld van deze zaak dient het gehele vonnis te worden geraadpleegd op www.rechtspraak.nl.

Essentie
In deze spraakmakende zaak wordt Kamerlid, fractievoorzitter en partijleider van de Partij voor de Vrijheid (PVV) Geert Wilders vervolgd voor zijn ‘minder Marokkanen’-uitspraak. Hij is uiteindelijk veroordeeld voor “de eendaadse samenloop van met twee of meer verenigde personen het zich in het openbaar mondeling beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras en met twee of meer verenigde personen het in het openbaar mondeling aanzetten tot discriminatie van mensen wegens hun ras. De heer Wilders is schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Rechtsregel
De belangrijkste vraag die de rechters in dit proces moesten beantwoorden is of de heer Wilders een grens over is gegaan met zijn ‘minder Marokkanen’-uitspraak. Ook werd getwijfeld of het begrip ‘Marokkanen’ onder het begrip ‘ras’ valt in de zin van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank kwam tot het oordeel dat de juridische betekenis van ‘ras’ veel ruimer is dan de betekenis in het normaal Nederlands spraakgebruik. De rechtbank heeft het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (IVUR) erbij gepakt. Hieruit blijkt dat onder ‘rassendiscriminatie’ wordt verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van ‘ras’, ‘huidskleur’, ‘afkomst’ of ‘nationale of etnische afstamming’.

De rechtbank vindt dat de heer Wilders met zijn uitspraak een groep landgenoten op een voor iedereen heldere en duidelijke wijze heeft geïdentificeerd door te verwijzen naar hun gemeenschappelijke afkomst. Hij heeft de nationaliteit gebruikt als etnische aanduiding en daarmee verwijst de gebruikte term ‘Marokkanen’ naar de in het IVUR opgenomen kenmerken ‘afkomst’, ‘nationale afstamming’ & ‘etnische afstamming’. Er is derhalve sprake van ‘ras’ in de zin van de strafwet.

Inhoud arrest
Er werden in casu vier feiten ten laste gelegd. Feiten 1 en 2 betreffen uitlatingen van verdachte en de reactie van het publiek op 19 maart 2014 tijdens een verkiezingsbijeenkomst in Grand Café De Tijd in Den Haag.

“Ik vraag aan jullie, willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder Marokkanen?”, waarop/waarna een gedeelte van dat aanwezige publiek, althans één of meer perso(o)n(en) zestien maal, althans een- of meermalen antwoordde/antwoordden, althans riep/riepen: “minder!” waarna hij, verdachte, zei: “Nah, dan gaan we dat regelen”.

Feiten 3 en 4 betreffen eerdere uitlatingen van verdachte op 12 maart 2014 tijdens een interview op de Loosduinse markt in Den Haag.

“Belangrijkste is toch voor de mensen hier op de markt de Hagenaars, Hagenezen en Scheveningers zoals Léon dat altijd netjes en terecht noemt. Voor die mensen doen we het nu. Die stemmen nu op een veiliger en socialer en in ieder geval een stad met minder lasten en als het even kan ook wat minder Marokkanen.”

Deze uitspraken maakten heel wat los bij de Turkse en Marokkaanse gemeenschap. Het ging zelfs zo ver dat op sociale media werd opgeroepen om massaal aangifte te doen. De politie was zo behulpzaam om alvast voorbedrukte aangifteformulieren klaar te leggen, wat weer leidde tot woede bij de Nederlanders.

De zaak nam enige tijd in beslag. Als getuige-deskundige werden onder meer prof. dr. Paul Cliteur en prof. dr. Tom Zwart gehoord. Een van de rechters, mr. Elianne van Rens, zou zich te kritisch hebben getoond in het horen van Cliteur, die zou worden gehoord op verzoek van de heer Wilders. De rechtbank zou overduidelijk hebben laten blijken de visie van Cliteur niet te delen, waarna een wrakingsverzoek werd ingediend. Dit verzoek werd niet gehonoreerd.

Gedurende de zitting is de heer Wilders niet ter zitting verschenen. Hij heeft wel gebruik gemaakt van de gelegenheid om het laatste woord te voeren als verdachte zijnde en tijdens de inhoudelijke behandeling heeft hij Twitter gebruikt om zijn ongenoegen te uiten over de rechtbank en het proces. Zo noemde hij het rechtscollege een ‘neprechtbank’, stelde hij dat het vonnis reeds klaarlag en dat een ‘D66-rechter het op hem had voorzien’. Deze laatste uitspraak was gebaseerd op een negatieve uitlating over de PVV van van mr. Elianne van Rens in het programma Kijken in de Ziel. De rechtbank noemde deze uitspraken een volksvertegenwoordiger en medewetgever onwaardig.

De verdediging voerde aan dat verdachte geen strafbare uitlatingen heeft gedaan en daarom van alle feiten dient te worden vrijgesproken. “Marokkanen zijn geen ras in de zin van art. 137c & 137d Sr”, aldus de verdediging. Ook werd aangevoerd dat de uitlatingen van de heer Wilders slechts een uiting waren van het bestaande partijprogramma van zijn PVV, hetgeen niet strafbaar is. Ook heeft de verdachte zijn uitlatingen achteraf genuanceerd door te stellen dat het voor hem alleen ging om criminele Marokkanen en Marokkanen met een uitkering. Tot slot bracht de verdediging naar voren dat de uitlatingen van verdachte zijn beschermd door het recht op vrijheid van meningsuiting op basis van art. 10 lid 1 & 2 EVRM.

Deze argumenten zijn door de rechtbank van tafel geveegd en de heer Wilders is schuldig verklaard zonder oplegging van straf, art. 9a Sr. Er werd ook een schadevergoeding voor benadeelde partijen geëist. Deze partijen bestonden grotendeels uit natuurlijke personen van Marokkaanse komaf en enkele rechtspersonen. De rechtbank verklaarde alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering, aangezien de heer Wilders hen niet persoonlijk of specifiek heeft aangesproken. Derhalve hebben de benadeelde partijen geen rechtstreekse schade geleden.

De heer Wilders liet weten het niet eens te zijn met de uitspraak van de rechtbank en gaf aan in hoger beroep te gaan. De regiezitting in de hoger beroepszaak staat gepland op 24 en 26 oktober 2017. Op 9 november 2017 zal het gerechtshof de beslissingen geven op de verzoeken die tijdens de regiezittingen worden gedaan.