ECLI:NL:RBAMS:2024:1103 (Afwijzing urgentieaanvraag van dakloze moeder terecht?)

Rechtbank Amsterdam 23 februari 2024, afwijzing urgentieaanvraag van dakloze moeder terecht?
(ECLI:NL:RBAMS:2024:1103)

Essentie

De rechtbank vernietigt in deze zaak een afwijzing van een urgentieaanvraag voor huisvesting wegens het onvoldoende meewegen van het belang van het kind.

Rechtsregel

Bij het beoordelen van een urgentieaanvraag voor huisvesting dient het belang van het kind expliciet en gemotiveerd te worden meegewogen.

Feiten

Verzoekster is in februari 2019 getrouwd met meneer. In september 2019 kwam haar echtgenoot naar Nederland, waarna ze bij de ouders van verzoekster gingen wonen. In december 2022 werden ze uit huis gezet vanwege spanningen, waardoor verzoekster sindsdien dakloos is en op straat en in haar auto verblijft. Het contact met haar echtgenoot en ouders is verbroken. Verzoekster heeft een urgentieverklaring aangevraagd op 20 juli 2023 en is op 31 december 2023 bevallen van een dochter.

Verweerder heeft de aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen op basis van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, omdat verzoekster het huisvestingsprobleem redelijkerwijs had kunnen voorkomen. Dit omdat ze een gezin heeft gesticht zonder passende woonruimte en haar echtgenoot naar Amsterdam heeft gehaald zonder adequate huisvesting te regelen. Hierdoor ontbreekt een overmachtssituatie. Verweerder ziet geen reden om te toetsen aan specifieke urgentiecategorie├źn, zoals medische of sociale redenen, en past ook de hardheidsclausule niet toe.

Standpunt verzoekster

Verzoekster betoogt dat de Verordening in strijd is met hogere regelgeving en de bedoeling van de wetgever. Ze stelt dat haar dakloosheid een overmachtssituatie is en doet een beroep op de hardheidsclausule, aangezien zij en haar baby op straat en in een auto slapen, wat medische problemen met zich meebrengt. Verzoekster verwijst naar internationale verdragen zoals het IVRK en het EVRM en stelt dat verweerder de belangen van haar kind niet heeft meegewogen in de besluitvorming.

Beoordeling

De voorzieningenrechter constateert dat de afwijzing van de urgentieverklaring niet goed is gemotiveerd, met name wat betreft het meewegen van de belangen van het kind. Hoewel de Verordening van toepassing is omdat verzoekster een gezin heeft gesticht zonder passende woonruimte, vindt de rechter dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de belangen van het kind niet zijn meegenomen. Daarom wordt het besluit vernietigd en moet verweerder een nieuw besluit nemen waarin de belangen van het kind expliciet worden meegewogen.