ECLI:NL:RBAMS:2022:1541 / ECLI:NL:RBAMS:2022:1542 (Sjoemelsoftware in auto’s)

Rb. Amsterdam, 30 maart 2022, Sjoemelsoftware in auto’s
(ECLI:NL:RBAMS:2022:1541 / ECLI:NL:RBAMS:2022:1542)

Essentie

De rechtbank Amsterdam heeft op 30 maart 2022 tussenvonnissen gewezen in twee zaken waarin een collectieve actie wordt gevoerd tegen circa 140 autofabrikanten, importeurs en autodealers wegens zogenaamde sjoemelsoftware. In de tussenvonnissen ging het om de vragen of de Nederlandse rechter bevoegd is om deze zaken te behandelen en welk recht van toepassing is.

Rechtsregel

In casu ging het om 1) de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en 2) de toepasselijkheid van het recht. Op grond van de Verordening Brussel I bis is de Nederlandse rechter bevoegd in de zaak tegen het Volkswagen-concern ten aanzien van de Nederlandse kopers. In de zaak tegen het Fiat-Chrysler concern is de rechter bevoegd ten aan zien van alle kopers. Verder is  op grond van het overgangsrecht het oude recht van toepassing, nu het overgangsrecht bepaalt dat de WAMCA van toepassing is op de gebeurtenissen die na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. In deze zaak heeft de ontwikkeling van de software vóór die datum plaatsgevonden. Ten slotte wordt schadevergoeding alleen in de WAMCA geregeld. Als gevolg hiervan zouden de autobezitters dus alleen op individuele basis schadevergoeding kunnen claimen na een, voor hen positief, vonnis na de inhoudelijke behandeling.

Inhoud uitspraak

Er zijn twee zaken aangespannen door de Stichting Diesel Emissions Justice tegen het Volkswagen concern en het Fiat-Chrysler concern. De autobezitters stellen te zijn gedupeerd doordat hun auto is uitgerust met sjoemelsoftware. De sjoemelsoftware zou ervoor zorgen dat auto’s bij een emissietest leken te voldoen aan de normen voor uitstoot, maar in werkelijkheid stootte de motor meer uit dan was toegestaan.

De volgende twee vragen staan in deze twee zaken centraal: 1) of, en zo ja ten behoeve van welke autobezitters de claimstichting bij de Nederlandse rechter kan procederen en 2) of het ‘oude’ recht inzake collectieve acties van toepassing is, of dat het nieuwe recht vanaf 2020 (de zogenaamde Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie, de WAMCA) van toepassing is.

Allereerst gaat het dus om de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is. Hiervoor dient gekeken te worden naar artikelen 7 en 8 uit de Verordening Brussel I bis. Verder dient er geen onderscheid gemaakt te worden tussen Nederlandse kopers en niet-Nederlandse kopers. De rechtbank is in de zaak tegen het Volkswagen-concern alleen bevoegd voor zover de claimstichting de belangen behartigt van autobezitters die bij een van de gedaagde autodealers een auto hebben gekocht. In voornoemde zaak zijn alleen Nederlandse autodealers gedagvaard, dus dat zal betekenen dat de autobezitters hoogstwaarschijnlijk alleen Nederlandse autokopers zijn. Daarnaast is de rechtbank bevoegd, voor zover het om de belangen van die autobezitters gaat, om de eventuele aanspraken jegens de buitenlandse autofabrikanten (Volkswagen, Audi, Porsche, Seat en Škoda) en een toeleverancier (Bosch) te beoordelen.

Dit geldt niet in de zaak tegen het Fiat-Chrysler concern. De autokopers hebben namelijk ook een vordering tegen de Nederlandse holding. Als gevolg hiervan is de rechtbank bevoegd ten aanzien van alle kopers die in Europa een auto van de desbetreffende merken hebben gekocht waarin volgens hen sjoemelsoftware is verwerkt. Daarnaast is de rechtbank bevoegd om ten behoeve van al die autokopers eventuele aanspraken tegen de buitenlandse autofabrikanten (Fiat-Chrysler en Alfa Romeo) te beoordelen.

Ten tweede gaat het om de vraag of het ‘oude’ (artikelen 3:305a tot en met 3:305d BW en artikel 14A Rv) of het nieuwe recht (de WAMCA) in deze twee zaken van toepassing is. Het overgangsrecht bepaalt dat de WAMCA van toepassing is op de gebeurtenissen die na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. In deze zaak heeft de ontwikkeling van de software vóór die datum plaats gevonden. De rechtbank oordeelt dus  dat het oude, tot eind 2019 geldende recht, van toepassing is. Verder oordeelt de rechtbank dat er geen schadevergoeding gevorderd kan worden, nu dat alleen zou kunnen op grond van de WAMCA. De autobezitters zouden dus alleen op individuele basis een schadevergoeding kunnen claimen als de rechtbank tot het oordeel komt dat de autoconcerns onrechtmatig hebben gehandeld.

De rechtbank zal nu in beide zaken moeten beslissen of de claimstichting voldoet aan de daaraan in de wet gestelde ontvankelijkheidseisen. Wanneer dat het geval is, dan zal de rechtbank een inhoudelijk oordeel geven.

TIP! Komt je bachelor- of masterscriptie eraan en zie je daar nu al tegenop? Geen nood, onze online scriptiecursus is terug! In twee intensieve middagen krijg jij de theoretische én praktische handvatten aangereikt om van jouw scriptie een succes te maken. Bekijk alle informatie hier.