ECLI:NL:RBAMS:2021:992 (Terugvordering bijstandsuitkering door drugshandel)

Rechtbank Amsterdam, 10 maart 2021, Terugvordering bijstandsuitkering door drugshandel
(ECLI:NL:RBAMS:2021:992)

Essentie

Eiser ontving een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Het college heeft naar aanleiding van berichten van de politie een onderzoek naar zijn situatie ingesteld. Eiser is drie keer door de politie aangehouden op verdenking van bezit van verdovende middelen. Het college heeft op grond van de processen-verbaal van de politie vastgesteld dat eiser in drugs heeft gehandeld. Omdat hij dit niet heeft gemeld, heeft hij volgens het college zijn inlichtingenplicht geschonden en moet hij drie maanden bijstand terugbetalen.

Rechtsregel

Handel in drugs is een op geld waardeerbare activiteit. Het moet duidelijk zijn dat dit invloed kan hebben op het recht op bijstand, zodat dit moet worden gemeld. Daarvoor is niet van belang of inkomsten of winst worden verworven. Dat is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Eiser heeft zijn activiteiten niet gemeld bij het college. Daardoor kon zijn recht op bijstand niet worden vastgesteld. De rechtbank oordeelt daarom dat zijn uitkering terecht is ingetrokken en teruggevorderd.

Inhoud

Vanwege deze schending van de inlichtingenplicht heeft het college de bijstandsuitkering van eiser op grond van art. 54 lid 3 Pw over die drie maanden herzien. Eiser zegt dat hij niet in drugs heeft gehandeld en dat hij onterecht als crimineel wordt behandeld. Hij is niet vervolgd voor handel in drugs, alleen voor het bezit ervan.

Wie een bijstandsuitkering ontvangt moet uit zichzelf alles melden waarvan hem duidelijk moet zijn  dat het van invloed kan zijn op het recht op bijstand (art. 17 lid 1 Pw). Als iemand deze inlichtingenplicht schendt en er teveel of onterecht bijstand is verleend, moet het college de uitkering herzien of intrekken. Het is aan het college om dit aannemelijk te maken. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Het college moet daarom de nodige kennis over de relevante feiten verzamelen.

Op 10 januari 2019 bevond eiser zich ’s nachts op de Oudezijds Achterburgwal. Twee politieagenten zagen dat hij samen met anderen bezig was toeristen aan te spreken, drie politieagenten zagen dat hij iemand een cocaïne-wikkel gaf en hij bleek vijftien xtc-pillen bij zich te hebben. De rechtbank vindt dit zo op drugshandel lijken dat van eiser een aannemelijke verklaring mag worden verwacht.

Op 10 maart 2019 stapte eiser ’s nachts in de Paleisstraat samen met een vriend uit een auto om twee mannen te ontmoeten. Een politieagent zag dat een van hen iets aan eiser gaf wat op een bankbiljet leek en dat eiser iets kleins teruggaf. Deze man bleek later een bolletje cocaïne bij zich te hebben. Eiser bleek een wikkel cocaïne, vijf xtc-pillen en een zakje mdma bij zich te hebben. In de auto vond de politie 22 kleine bolletjes en een grotere bol cocaïne. Ook deze omstandigheden vragen om een aannemelijke verklaring, die eiser niet heeft gegeven.

Op 22 augustus 2019 liep eiser ’s nachts op en neer door de Handboogstraat en sprak hij mensen aan. Op zitting heeft eiser verklaard dat hij in gesprek raakte met een jongen en hem gratis wiet heeft gegeven. Tegen de politie zei deze jongen: “Ik zal eerlijk zijn. Ik werd net aangesproken of ik drugs wilde hebben. Ik heb toen drugs gekocht. Ik heb wiet gekocht. Een zakje voor twintig euro.” Eiser bleek acht wikkels cocaïne, vijf xtc-pillen, vier zakjes hennep, een zakje mdma en 150 euro bij zich te hebben. Eiser heeft de zitting gezegd dat de drugs voor eigen gebruik waren. Dit is echter in strijd met de verklaring van de jongen, die geen reden had om hierover tegen de politie te liegen.

De rechtbank oordeelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in drugs heeft gehandeld. Dit blijkt uit de processen-verbaal van de politie en uit de verklaringen van eiser op zitting.