ECLI:NL:RBAMS:2021:6203 (Vrijspraak voor (poging tot) zware mishandeling)

Rechtbank Amsterdam, 5 november 2021, vrijspraak voor (poging tot) zware mishandeling (ECLI:NL:RBAMS:2021:6203)

Essentie

In deze zaak zou een man een andere man hebben mishandeld door hem in zijn gezicht te steken met een kapot geslagen fles. Volgens de verdediging moet verdachte geheel worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Met de verdediging vindt de rechtbank dat de verdachte moet worden vrijgesproken.

Rechtsregel

Op grond van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet niet alleen worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat, maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam. Dit betekent dat er sprake moet zijn van een zeer onaangename fysieke ervaring om tot een bewezenverklaring van mishandeling te kunnen komen.

Inhoud vonnis

De rechtbank stelt vast dat verdachte aangever na een discussie en onderling ‘geduw en getrek’ in het water heeft geduwd. Medeverdachte heeft aangever vervolgens uit het water geholpen, waarna een worsteling tussen hen is ontstaan en aangever weer in het water terecht is gekomen. Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte letsel heeft opgelopen aan zijn wang.

De rechtbank kan echter niet vast stellen hoe het letsel van aangever precies is ontstaan of wat de toedracht hiervan is geweest. De aangever heeft namelijk zelf wisselend verklaard over de volgorde en de locatie van gebeurtenissen. Als gevolg hiervan beoordeelt de rechtbank de aangifte met terughoudendheid. Verder zijn de verklaringen van verdachte en medeverdachte grotendeels ondersteunend aan elkaar en deze verklaringen spreken de aangifte op meerdere onderdelen tegen. Daarnaast wordt de aangifte, anders dan het letsel zelf, niet ondersteund door andere, objectieve gegevens in het procesdossier. Tot slot zou het mogelijk kunnen dat het letsel niet door toedoen van verdachte en/of medeverdachte is veroorzaakt. Niet is bewezen dat het letsel van aangever is ontstaan door toedoen van verdachte. Om die reden spreekt de rechtbank verdachte vrij van zware mishandeling of de poging daartoe.

Verder wordt verdachte ook vrijgesproken van de beschuldiging die ziet op openlijke geweldpleging in vereniging of mishandeling in vereniging. De rechtbank vindt namelijk dat geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte. Reden hiervoor is dat het in casu gaat om, weliswaar vrijwel aansluitend, twee verschillende incidenten en er niet kan worden gezegd dat de ene geweldpleger deelnam aan het door de andere gepleegde geweld.

Tot slot wordt verdachte ook vrijgesproken van mishandeling in vereniging. Er is niet meer vast komen te staan dan dat verdachte aangever in het water heeft geduwd. Onder artikel 300 Sr moet niet alleen worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat, maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam. Dit betekent dat er sprake moet zijn van een zeer onaangename fysieke ervaring om tot een bewezenverklaring van mishandeling te kunnen komen. Op basis van het procesdossier heeft aangever niets verklaard over een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam die is veroorzaakt door het in het water duwen. Er kan dus niet bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.