ECLI:NL:RBAMS:2021:1530 (Coronacrisis van invloed op hoogte materiële schadevergoeding)

Rechtbank Amsterdam 31 maart 2021, Coronacrisis van invloed op hoogte materiële schadevergoeding
(ECLI:NL:RBAMS:2021:1530)

Essentie

Voor de rechtbank te Amsterdam staat de minderjarige verdachte terecht voor drillrapgerelateerd geweld. Verdachte heeft het slachtoffer op het hoofd geslagen met een machete en wordt hierom veroordeeld voor poging tot doodslag. Materiële schadevergoeding wordt gematigd in verband met de coronacrisis.

Rechtsregel

Met betrekking tot de berekening van de schadevergoeding moeten niet alleen de goede kansen worden meegewogen. Het uitgangspunt dat je direct na je opleiding een baan vindt, is te optimistisch. Ten tijde van het misdrijf was in Nederland sprake van de coronacrisis. Gelet op de sluiting van de scholen kan niet vastgesteld worden dat de benadeelde partij überhaupt zou zijn afgestudeerd op de beoogde datum, laat staan dat hij direct daarna de arbeidsmarkt zou hebben kunnen betreden.

Inhoud

Op 27 mei 2020 komt de politie af op een melding van een steekpartij. Zij zien een jongen op de grond liggen voor een flat in Amsterdam, in een grote plas bloed en met een hoofdwond van ongeveer 10 tot 15 centimeter. De politie krijgt gelijktijdig een melding dat een getuige achter de daders van deze steekpartij aan zou fietsen. Deze getuige verklaart dat hij een groep jongens achter het slachtoffer zag aanrennen en op het slachtoffer zag inslaan. Het slachtoffer zou daarbij met een knuppel of een wapenstok zijn geslagen.

De politie is met een speurhond langs de route gelopen die door de getuige is gefietst. Op deze route vonden zij in de struiken een machete, in de buurt van de plaats waar de getuige de jongens waar hij achter aan fietste even uit het oog is verloren. Deze machete is onderzocht op sporen. Uit het NFI-rapport komt naar voren dat het DNA dat op beide delen van het heft is aangetroffen van verdachte kan zijn en dat het op het lemmet aangetroffen bloedspoor DNA van het slachtoffer bevat.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging moord althans poging doodslag in vereniging, subsidiair zware mishandeling in vereniging en meer subsidiair openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Ook heeft de officier van justitie gevorderd om verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen. De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht om bij een bewezenverklaring de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in voorwaardelijke vorm op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde feit een ernstig en zeer gewelddadig delict betreft. Gelet op het hoge recidiverisico van geweldsdelicten is intensieve behandeling van verdachte noodzakelijk. Behandeling vanuit de thuissituatie is niet mogelijk, waardoor de rechtbank besluit de verdachte plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen. Naast deze inrichtingsplaatsing legt de rechter aan de verdachte ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie op.

De benadeelde partij, het slachtoffer, vordert ook materiële en immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij heeft enkele materiële kosten moeten maken met betrekking tot zijn tijdelijke verblijf bij vader en zijn kleding is onherstelbaar beschadigd geraakt. Tevens heeft de benadeelde partij als gevolg van het incident één jaar studievertraging opgelopen, waardoor hij ook later zal toetreden tot de arbeidsmarkt.

De benadeelde partij heeft daarnaast immateriële schade geleden. Hij heeft als gevolg van het misdrijf een trauma opgelopen en dit trauma werd verergerd doordat op internet beelden gepubliceerd zijn van de benadeelde partij direct na de aanval. Ook is er door de drillrapgroep waar verdachte toe behoort een rap en videoclip opgenomen waarin wordt gerefereerd aan de aanval op de benadeelde partij.

De rechter oordeelt dat de materiële schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen. Alleen met betrekking tot de toekomstige schade wordt dit verzoek afgewezen. Door de coronacrisis is op tijd afstuderen en het vinden van een baan onzekerder geworden. De immateriële schade wordt naar billijkheid vergoed.