ECLI:NL:RBAMS:2019:8597 (Boek Johan Cruijff)

Rechtbank Amsterdam, 15 november 2019, Boek Johan Cruijff
(ECLI:NL:RBAMS:2019:8597)

Essentie

In deze zaak rijst de vraag of de uitlating in het boek “Johan Cruijff De Biografie”, dat Cruijff zich jaarlijks een miljoen door de Foundation heeft laten uitbetalen, onrechtmatig is tegenover de Foundation. In deze context is sprake van een botsing van twee fundamentele rechten, namelijk aan de zijde van auteur en de uitgever het recht op vrijheid van meningsuiting en aan de zijde van de Foundation haar recht op bescherming van haar goede naam.

Rechtsregel

Bij de beoordeling is van belang of aannemelijk is dat de uitlating juist is en in verband daarmee de vraag of auteur heeft gehandeld in overeenstemming met 1) algemeen aanvaarde beginselen van zorgvuldige journalistiek, 2) de aard van de uitlating en de redelijkerwijs te verwachten gevolgen daarvan voor de Foundation, en 3) de ernst van de misstand die in de publicatie wordt gesignaleerd.

Inhoud

De uitlating is gepubliceerd in een boek dat is gericht op Nederlands publiek. Daarom zal de gemiddelde lezer de uitlating opvatten dat Cruijff jaarlijks een miljoen euro ontving van de Foundation. Auteur voert aan dat hij juistheid bevestigd heeft gekregen van vier bronnen van wie hij de identiteit niet wenst te onthullen. Dit staat hem vrij, maar heeft tot gevolg dat daarop geen controle mogelijk is door de wederpartij.

Auteur heeft de beschuldiging niet voorafgaand aan de publicatie van het boek voorgelegd aan de Foundation. Hij voert aan dat hem voorafgaand aan het schrijven van het boek is gebleken dat de Foundation aan de totstandkoming daarvan niet wenste mee te werken. Dit ontslaat hem niet van de plicht tot naleving van het fundamentele journalistieke beginsel van wederhoor. Dit beginsel is niet absoluut, maar het ging hier niet om zomaar een zinnetje uit het boek. Voor wederhoor was in dit geval alle aanleiding gezien de ernst van de beschuldiging en de daarvan redelijkerwijs te verwachten gevolgen voor de Foundation.

De beschuldiging is ernstig. Daarmee wordt de werfkracht van Cruijff als persoon aangetast in de context van fondsenwerving voor de goede doelen die de Foundation behartigt. Die werfkracht wordt mede bepaald door aan het publiek bekende omstandigheid dat hij deze activiteiten vrijwillig verrichtte. De beschuldiging houdt in dat Cruijff zich jaarlijks uit de geworven fondsen via de Foundation een miljoen euro liet uitbetalen. Hierdoor wordt ernstig afbreuk gedaan aan de werfkracht van Cruijff en worden ook de belangen van de Foundation ernstig geschaad omdat deze afhankelijk is van Cruijffs werfkracht.

De in de publicatie gesignaleerde misstand brengt enerzijds met zich mee dat het publiek een gerechtvaardigd belang heeft over de misstand te worden geïnformeerd, mits de juistheid daarvan voldoende aannemelijk is. Dit laatste is echter niet het geval. Anderzijds brengt juist die ernst een extra verantwoordelijkheid mee voor verificatie van de juistheid van de uitlating. De auteur is daarin ernstig is tekortgeschoten.

Onder deze omstandigheden is de uitlating onrechtmatig tegenover de Foundation, ook als daarbij in aanmerking wordt genomen dat aan de goede trouw van auteur niet wordt getwijfeld en dat niet van een journalist kan worden verwacht dat hij een beschuldiging pas publiceert wanneer hij absolute zekerheid heeft verkregen over de juistheid daarvan. De rechter oordeelt daarom tot rectificatie.