ECLI:NL:RBAMS:2019:3766 (Niet melden ongebruikelijke transacties)

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2019, Niet melden ongebruikelijke transacties
(ECLI:NL:RBAMS:2019:3766)

Essentie
In een omvangrijke fraudezaak met plof-BV’s is verdachte, feitelijk leidinggevende bij het notariskantoor waar hij werkzaam is, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 240 uur. De grondslag hiervoor is gelegen in het feit dat verdachte heeft nagelaten om een vijftal ongebruikelijke transacties als bedoeld in de Wwft te melden bij de FIU. Verdachte is vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie en het doen van verscherpt cliëntenonderzoek. Het strafdossier bevat onvoldoende concrete informatie – bijvoorbeeld uit de notarisdossiers – over welk onderzoek wel en welk onderzoek niet door verdachte is uitgevoerd, dat wel uitgevoerd had moeten worden.

Rechtsregel
Heeft verdachte door zijn handelswijze zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 16 Wwft? Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit. In het verlengde hiervan heeft de overheid geen maatregelen kunnen nemen om het witwassen van opbrengsten uit misdrijven tegen te gaan, teneinde de integriteit van het financiële en economische stelsels te waarborgen. Notarissen hebben in dit kader een belangrijke rol als poortwachter. De rechtbank rekent verdachte deze feiten daarom zwaar aan.

Inhoud arrest
De medeverdachte in deze zaak hield zich bezig met het aantrekken en verkopen van slecht lopende ondernemingen. Hij beloofde hen te helpen van de noodlijdende ondernemingen af te komen. De eigenaren/bestuurders van die vennootschappen betaalden aan medeverdachte een bedrag om de overdracht van hun bedrijf met schulden te regelen. Vervolgens ging medeverdachte aan de slag om te kijken of hij de vennootschap kon overdragen aan een tussenpersoon of dat hij de vennootschap rechtstreeks op naam van een ander, de zogenoemde katvanger, liet zetten. De laatstgenoemde kreeg hiervoor een vergoeding.

Uit onderzoek is gebleken dat medeverdachte gebruik maakte van een aantal vaste personen/kopers/katvangers. De aandelen van een vennootschap werden in de meeste gevallen overgenomen voor € 1,-. De katvanger nam daarmee tevens de aanwezige schulden in de onderneming over. Vervolgens gingen de ondernemingen kort na de verkoop failliet of werden ze bij de KvK ontbonden via een zogenaamde turboliquidatie. Dit is een snelle manier om een vennootschap te ontbinden en te liquideren, mits de vennootschap geen baten meer heeft. De curator van de failliete onderneming kreeg geen dan wel moeizaam contact met de katvanger en een administratie werd nauwelijks aangeleverd. Hierdoor werd het voor de curator onmogelijk om de rechten en plichten van de failliet vast te stellen, waardoor de crediteuren werden benadeeld.

Voor deze werkwijze was de medewerking van notarissen vereist. De aktes van de aandelenoverdrachten moesten immers bij de notaris worden gepasseerd. Verdachte was degene die bij het betrokken notariskantoor alle werkzaamheden verrichtte die betrekking hadden op de aandelenoverdracht. Hij had de contacten met de verkoper en de koper, zorgde dat alle relevante gegevens werden verzameld, stelde de benodigde documenten op en meldde achteraf de overdracht bij de KvK. Verdachte was hiermee dus op de hoogte van alle ins en outs van de transacties en bleek ook al sinds 2009 regelmatig betrokken te zijn geweest bij aandelenoverdrachten waarbij medeverdachte een rol speelde.

Verdachte heeft ook verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat de bedrijven na de overdracht niet zouden worden voortgezet. Zowel de hoeveelheid rechtspersonen die op naam van de katvanger werden gezet, de inhoud van de aktes waaruit blijkt dat de meeste rechtspersonen voor € 1,- werden aangeschaft terwijl er ook schulden waren dan wel geen enkel zicht was op de financiële situatie waarin een verklaring kon worden gevonden voor die koopsom, als de duidelijke connectie tussen de katvanger en de medeverdachte, moeten voor verdachte reden zijn geweest om alarmbellen te laten afgaan.

Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een patroon, zoals verdachte ook zelf heeft verklaard. Er was een organisator van de aan- en verkoop, een notaris die voor de formele overdracht kon zorgen en een katvanger die bereid was de rechtspersoon op zijn of haar naam te zetten. Een patroon omdat steeds dezelfde koper/katvanger via dezelfde tussenpersoon, soms in een korte periode, aandelen van noodlijdende vennootschappen in verschillende branches overneemt (veelal met overname van schulden) tegen een bedrag van € 1,-, terwijl niet voldoende administratie aanwezig was om die koopsom te kunnen beoordelen.

Voornoemde combinatie van subjectieve indicatoren en omstandigheden vormen naar het oordeel van de rechtbank grond om te veronderstellen dat de transacties verband kunnen houden met witwassen. Ondanks deze indicatoren heeft verdachte geen aanleiding gezien melding te maken van ongebruikelijke transacties, ook niet met terugwerkende kracht. Op grond van artikel 16 Wwft is een instelling verplicht om een transactie onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden aan de FIU te melden. Onverwijld houdt in dat zo snel als mogelijk moet worden gemeld nadat een voldoende zorgvuldige afweging is gemaakt of een transactie als ongebruikelijk moet worden beschouwd. In de formulering van deze verplichting wordt rekening gehouden met de situatie dat de instelling eerst na langere tijd het ongebruikelijke karakter van een transactie ontdekt. Het is immers voorstelbaar dat naar aanleiding van een reeks aan transacties van een bepaalde cliënt de instelling tot het vermoeden komt dat de handelwijze van de cliënt mogelijk samenhangt met witwassen of het financieren van terrorisme. Pas dan zal de eerder verrichte transactie ook in een ander daglicht komen te staan, en moet vervolgens alsnog onverwijld worden gemeld.

Verdachte had niet alleen de transactie op zichzelf als ongebruikelijk moeten aanmerken op het moment dat de transacties werden verricht, maar ook achteraf had het patroon moeten opvallen. Op dat moment had verdachte alsnog melding moeten doen van de voorgaande transacties.