ECLI:NL:RBAMS:2018:1978 (Boete wegens het niet nakomen koopovereenkomst woning)

Boete wegens het niet nakomen koopovereenkomst woning, rb. Amsterdam, 23 maart 2018
(ECLI:NL:RBAMS:2018:1978)

Essentie
Deze uitspraak van de rechtbank Amsterdam gaat over een vrouw (gedaagde) die een huis wilde kopen. De contracten waren ondertekend en de deal was rond. Gedaagde zag op het laatste moment echter af van de koop en maakte zich schuldig aan het niet nakomen van een koopovereenkomst. In het koopcontract was een clausule opgenomen waarin stond dat de verkoper (eiser) aanspraak kon maken op een contractuele boete, zoals hier het geval was. Gedaagde wilde best betalen, maar beriep zich op de matigingsbevoegdheid (art. 6:94 BW).

Rechtsregel
Bij het beoordelen van een matigingsverzoek moet de rechtbank niet alleen letten op de verhouding tussen de werkelijke schade aan de ene kant en de hoogte van de boete aan de andere kant, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van de clausule en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

Inhoud vonnis
Gedaagde sluit een koopovereenkomst voor een woning. Op 15 juni 2016 wordt deze overeenkomst schriftelijk vastgelegd en ondertekend door een notaris. In de overeenkomst worden, naast de koopprijs, ook andere zaken vastgelegd, zoals een boetebeding ter waarde van 10 % van de koopsom als de overeenkomst niet wordt nagekomen.

Gedaagde heeft helaas niet voldaan aan de op haar rustende verplichtingen conform het contract, dus heeft eiser (na een aantal aanmaningen) de koopovereenkomst beëindigd en het huis verkocht aan iemand anders. Tegelijkertijd beroept eiser zich op het in het contract opgenomen boetebeding en vordert van gedaagde een betaling van € 22.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 augustus 2016 en de bijkomende procedurekosten. Gedaagde beaamt dat eiser recht heeft op de contractuele boete, maar doet wel een beroep op de matigingsbevoegdheid.

De rechtbank oordeelt in dezen dat de contractuele boete alleen mag worden gematigd als de toepassing van de boeteclausule in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en dus een onaanvaardbaar resultaat zal leiden. De matigingsbevoegdheid moet derhalve met terughoudendheid worden toegepast.

De rechtbank stelt eiser in het gelijk en veroordeelt gedaagde tot een betaling van € 7.500,- aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten.