ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9001 (zaak Wilders)

Zaak Geert Wilders, RB AMS 23 juni 2011, NS 2011, 225
ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9001

Essentie
Deze spraakmakende zaak uit 2010/2011 ging over de vervolging van Tweede Kamerlid Geert Wilders. Wilders werd verdacht van haat zaaien, discriminatie en groepsbelediging. Aanleiding tot het proces was een artikel van Wilders in de Volkskrant, waarin hij de islam omschreef als een “fascistische ideologie’’ en te kennen gaf de Koran te willen verbieden. Na het artikel volgde ook de film Fitna. Ondanks vele aangiften besloot het Openbaar Ministerie niet tot vervolging over te gaan, omdat ze vond dat de uitspraken “wellicht kwetsend, grof of ongenuanceerd waren, maar geen strafbare belediging”. Hoofdofficier van justitie Leo de Wit stelde dat Wilders zijn uitspraken “in de context van het maatschappelijk debat” deed.

Pas na een bevel van het Hof (art. 12 Sv), ging het Openbaar Ministerie over tot vervolging.

Rechtsregel
Wilders werd beschuldigd van (groeps)belediging, haatzaaien en discriminatie. Het Openbaar Ministerie vroeg om vrijspraak, omdat Wilders zich niet schuldig heeft gemaakt aan het aanzetten tot haat en discriminatie jegens moslims en het beledigen van moslims. Het Openbaar Ministerie motiveerde dit door te stellen dat Wilders zich heeft uitgelaten over de islam als religie, en niet over de belijders van die religie.

Inhoud vonnis
Wilders staat bekend om zijn uitgesproken mening over de islam. Een aantal opvallende uitspraken waren dan ook de aanleiding voor een strafzaak tegen Wilders. Zo had hij het in de Volkskrant over een “tsunami van de islamisering”. In een opiniestuk in dezelfde krant zei hij: “verbied dat fascistische boek”. In een column op GeenStijl had hij het over de “islamitische invasie” en in De Pers zei hij dat “als Mohammed hier vandaag leefde, zou ik voorstellen om hem als extremist met pek en veren het land uit te jagen”.

Deze uitspraken, alsmede het maken en uitbrengen van de film Fitna, maakten deel uit van de aanklacht.

De inhoudelijke behandeling van de zaak begon op 4 oktober 2010 en op 15 oktober van dat jaar vroeg het Openbaar Ministerie om vrijspraak op alle punten. De advocaten Ties Prakken en Michiel Pestman traden op namens de aanklagende organisaties Nederland Bekent Kleur, het Landelijk Beraad Marokkanen, de Turkse Arbeidersvereniging Nederland en de Antilliaanse organisatie MAAP. Advocaten Mohammed Enait en Nico Steijnen traden op namens de Beweging tot Herstel van het Respect, waarin een aantal moskeeën samenwerkt.

Deze zaak werd door de media op de voet gevolgd, mede omdat de toenmalige advocaat van Wilders, Bram Moszkowicz, tweemaal een wrakingsverzoek had ingediend, wat vrij ongebruikelijk is. Het tweede wrakingsverzoek werd ingewilligd omdat er sprake was van een schijn van partijdigheid. De rechtbank had geweigerd om getuige-deskundige en arabist Hans Jansen te verhoren. De aanleiding voor dit verhoor was dat raadsheer Tom Schalken zou hebben geprobeerd om Hans Jansen te beïnvloeden tijdens een diner bij journalist en Midden-Oostendeskundige Bertus Hendriks. Schalken was een van de raadsheren die tijdens de artikel 12-procedure had bevolen Wilders te vervolgen.

Advocaat Ties Prakken spande namens de benadeelde partijen een kort geding aan tegen de Nederlandse Staat, met de eis dat de aanklagers zouden worden vervangen en dat de eis van vrijspraak zou worden aangepast. De rechter bepaalde dat het vervangen van de officieren van justitie onnodig was. Het proces ging op 7 februari 2011 verder met nieuwe rechters en dezelfde aanklagers. Advocaat Moszkowicz wraakte de rechtbank opnieuw. Dit keer omdat de rechtbank had geweigerd om een onderzoek in te stellen naar mogelijke meineed door getuige Bertus Hendriks. Het wrakingsverzoek werd afgewezen.

De verdediging van advocaat Moszkowicz richtte zich minder op de vraag of de grenzen van vrijheid van meningsuiting waren overschreden, dan op de vraag of Wilders een eerlijke kans had om zich te verdedigen. Volgens Moszkowicz zou Wilders geen eerlijke kans hebben zich te verdedigen, omdat getuige-deskundige Hans Jansen mogelijk was beïnvloed door raadsheer Schalken. Jansen werd door de verdediging aangevoerd als getuige om te verklaren dat de islam een gevaar vormt waar Wilders terecht voor waarschuwt. Een beperking op de vrijheid van meningsuiting moet wijken bij terechte waarschuwingen; dit is een wettelijke strafuitsluitingsgrond, aldus Moszkowicz.

Op 25 mei 2011 maakte het Openbaar Ministerie bekend weer vrijspraak te zullen eisen voor Wilders, omdat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Wilders heeft zich uitgelaten over een religie en niet over de belijders van die religie, aldus het Openbaar Ministerie. De rechtbank ging hierin mee en sprak Wilders op 23 juni 2011 vrij van al het ten laste gelegde. Diverse buitenlandse media noemden het vonnis een overwinning voor de vrijheid van meningsuiting, waar andere buitenlandse media de uitspraak zagen als het einde van de Nederlandse tolerantie.