ECLI:NL:RBAMS:1998:AD2911 (Miracle of Love)

Miracle of Love, Rb. Amsterdam 30 juni 1998
(ECLI:NL:RBAMS:1998:AD2911)

Essentie
Ingevolge art. 1:4 lid 2 BW kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de opname van voornamen weigeren indien die ongepast zijn of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen, tenzij deze ook gebruikelijke voornamen zijn.

Rechtsregel
In beginsel dient aan ouders een grote vrijheid te worden gelaten bij de keuze van voornamen van kinderen, omdat daarin mede uitdrukking wordt gegeven aan ‘family-life’ in de zin van art. 8 EVRM. Dat neemt niet weg dat deze vrijheid aan enige beperking kan worden onderworpen, zoals die limitatief is opgenomen in art. 1:4 lid 2 BW. Daarbij spelen gewichtige maatschappelijke belangen een rol, waarbij te denken valt aan het maatschappelijke belang dat het recht op het geven van voornamen aan kinderen door de ouders op niet-verwarrende wijze wordt uitgeoefend opdat met de betrokken voornamen zonder onevenredige problemen aan het economisch rechtsverkeer en ander maatschappelijk verkeer zal kunnen worden deelgenomen, hetgeen tevens een groot belang vormt voor diegenen die met betrokkene in het economisch en ander maatschappelijk verkeer van doen zullen hebben.

Inhoud arrest
Op 29 december 1997 is in de gemeente Amsterdam de dochter van verzoekers geboren. Blijkens het overgelegde uittreksel uit de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam draagt dit kind de voornamen Panter Fonny Miracle. Er werd echter aangifte gedaan met de namen Panter, Fonny, Micracle of Love. De derde naam werd door de burgerlijke stand geweigerd omdat de derde voornaam van het kind ongepast zou zijn ex. art. 1:4 lid 2 BW. Onder ongepast wordt verstaan: namen die naar hun aard geen voornaam zijn. Gelet hierop heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand geweigerd om ‘Miracle of Love’ als voornaam op te nemen. Om zoveel mogelijk aan de wensen van verzoekers te voldoen is wel door de burgerlijke stand de voornaam ‘Miracle’ opgenomen, zodat de voornamen van de minderjarige luiden: Panter, Fonny, Miracle.

De ouders hebben vervolgens een verzoek tot naamswijziging ingediend bij de rechtbank. Het verzoek strekt ertoe dat de derde voornaam Miracle wordt gewijzigd in Miracle of love danwel Miracle-of-love. De ouders zijn van mening dat de voornaam Miracle of Love geen ongepaste naam is. Deze voornaam is een zeer bewuste keuze van de ouders geweest. Zij wilden daarmee uitdrukking geven aan hun dankbaarheid voor de geboorte van hun kind na tien jaar ongewenste kinderloosheid en talloze medische ingrepen. Voorts doen zij een beroep op het feit dat de Nederlandse samenleving een multi-culturele samenleving is en de geweigerde voornaam in het Engels en Spaans een veel voorkomende naam is. Miracle of love dient derhalve naar de mening van verzoekers als een bestaande naam te worden beschouwd. Voor problemen in het sociaal-economisch verkeer behoeft niet te worden gevreesd, nu het de derde voornaam betreft.

De vraag die derhalve centraal staat is of ‘Miracle of love’ een ongepaste voornaam is in de zin van art. 1:4 lid 2 BW.

De rechtbank overweegt dat aan ouders een grote vrijheid dient te worden gelaten bij de keuze van voornamen van kinderen, omdat daarin mede uitdrukking wordt gegeven aan ‘family-life’ in de zin van art. 8 EVRM. Dat neemt niet weg dat deze vrijheid aan enige beperking kan worden onderworpen zoals die limitatief in art. 1:4 lid 2 BW is opgenomen. Daarbij spelen gewichtige maatschappelijke belangen een rol, waarbij te denken valt aan het maatschappelijke belang dat het recht op het geven van voornamen aan kinderen door de ouders op niet-verwarrende wijze wordt uitgeoefend opdat met de betrokken voornamen zonder onevenredige problemen aan het economisch rechtsverkeer en ander maatschappelijk verkeer zal kunnen worden deelgenomen, hetgeen tevens een groot belang vormt voor diegenen die met betrokkene in het economisch en ander maatschappelijk verkeer van doen zullen hebben. Op grond hiervan is de rechtbank van mening dat met opneming van de voornaam Miracle of love/Miracle-of-love geen gewichtig maatschappelijk belang wordt geschaad en dat betrokkene in de toekomst zoals dat zich nu laat aanzien, zonder onevenredige problemen aan het rechtsverkeer en ander economisch en maatschappelijk verkeer zal kunnen deelnemen. In dat licht bezien is hetgeen door verzoekers als motief naar voren is gebracht voor de onderhavige keuze op zichzelf niet ongepast en bestaat er als zodanig geen belemmering voor toewijzing van het verzoek.