ECLI:NL:HR:2021:1024 (Wanneer is sprake van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ ex. art. 6:106 lid 1 sub b BW?)

Hoge Raad 29 juni 2021. Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit overzichtsarrest omtrent gevallen waarin sprake kan zijn van aantasting in persoon ‘op andere wijze’.
(ECLI:NL:HR:2021:1024)

Essentie

In deze zaak wordt de grondslag vastgesteld om immateriële schadevergoeding te kunnen toewijzen. De eis dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven moet zijn vastgesteld, houdt niet in dat daarvan slechts sprake is als het een in de psychiatrie erkend ziektebeeld betreft en evenmin dat dit geestelijk letsel slechts door een psychiater of psycholoog kan worden vastgesteld. In casu is sprake van geestelijk letsel naar aanleiding van een gewapende overval en gezien de aard en ernst van de normschending hoeft hier het geestelijk letsel niet te worden aangetoond.

Rechtsregel

De vraag die in deze zaak voorlag, is of er sprake is van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW. In dit arrest herhaalt de Hoge Raad de relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793 en ECLI:NL:HR:2019:376 met betrekking tot de gevallen waarin sprake kan zijn van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW.

In zijn arrest van 28 mei 2019 (2019:793) heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar (2019:376) het volgende overwogen. “Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”

De eis dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven moet zijn vastgesteld, betekent niet dat daarvan slechts sprake is als het een in de psychiatrie erkend ziektebeeld betreft noch dat dit geestelijk letsel slechts door een psychiater of psycholoog kan worden vastgesteld. Ook als geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat van aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval moet degene die zich hierop beroept deze aantasting met concrete gegevens onderbouwen, tenzij de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.

Inhoud arrest

Het ten laste gelegde feit is bewezenverklaard. Benadeelde heeft heel veel last gehad van psychische gevolgen van de overval. Benadeelde heeft vanuit instinct de verdachte achtervolgd en is toen bedreigd met een vuurwapen. De eerste paar weken had benadeelde veel last van herbeleving en ondervond slaapproblemen. Daarna werd benadeelde erg moe, raakte snel geïrriteerd en emotioneel. Hij herkende zichzelf niet meer. Door de overval voelt benadeelde zich onveiliger op zijn werk maar ook op andere plekken. Zo kan hij niet goed op zijn gemak zitten in openbare gelegenheden, hij is altijd op zijn hoede. Hij is niet meer de oude.

Het cassatiemiddel klaagt dat het Gerechtshof de vordering benadeelde partij omtrent de immateriële schade ontoereikend heeft gemotiveerd. De raadsman van verdachte benadrukt het belang van het toetsingskader van de Hoge Raad van 28 mei 2019, NJB 2019/1329 r.o. 2.4.4. Met name van belang is de invulling van het begrip ‘aantasting van de persoon op ander wijze’: “Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. (…)” Geestelijk letsel: De vordering van de benadeelde partij ]is enigszins onderbouwd, maar roept daarmee ook veel vragen op. Er wordt een soort van diagnose gesteld (‘PTSS-achtige klachten’), maar onduidelijk is of [betrokkene 2] deskundig genoeg is om hier iets zinnigs over te kunnen zeggen, aldus de raadsman.

Bij het ervaren van een ingrijpende gebeurtenis is het niet gebruikelijk om meteen in te grijpen als behandelaar. Het lichaam moet de kans krijgen om zelf het natuurlijk evenwicht te herstellen. Het zelf herstellend vermogen van de hersenen moet zijn werk kunnen doen. PTSS is pas na een maand vast te stellen, wordt letterlijk vermeld in DSM V. Daar was tijdens de intake geen sprake van. Zonder diagnose is het ook niet mogelijk om te behandelen. Eerder behandelen kan zelfs contra productief uitwerken, zo beredeneert de raadsman. De raadsman zet dus vraagtekens bij de handelswijze en deskundigheid van de behandelaar. Zo vraagt de raadsman zich af of de behandelaar wel een BIG-registratie heeft en of de behandelaar überhaupt is opgeleid om psychiatrische stoornissen vast te stellen. Dit zou volgens de raadsman nergens uit blijken. De vordering van benadeelde is niet onderbouwd door een deskundige. Er zijn volgens de raadsman zelfs aanwijzingen dat de behandelaar niet deskundig is.

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat beide vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd om te kunnen stellen dat er aan de hand van objectieve maatstaven en concrete gegevens geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Gevoelens van angst, onveiligheid en psychisch onbehagen zijn onvoldoende. Primair verzoekt de raadsman de immateriële schadevergoeding af te wijzen omdat geen blijk is van geestelijk letsel. Voorts, Gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het gebruikte wapen, de tijdspanne en het ontbreken van geweld, voldoet, in de ogen van de verdediging, deze zaak niet aan het criterium waar de Hoge Raad in het overzichtsarrest op doelde. Het is niet zo dat de “nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen”. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de vraag of voldaan is aan voornoemd criterium een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar enkel voor wat betreft de duur van de opgelegde straf. Verdachte krijgt een strafvermindering en al het overige wordt verworpen.