ECLI:NL:HR:2020:673 (belaging door heimelijk filmen)

Hoge Raad 21 april 2020, belaging door heimelijk filmen
(ECLI:NL:HR:2020:673)

Essentie

De verdachte is in hoger beroep vrijgesproken van de ten laste gelegde belaging. Aan de verdachte was ten laste gelegd dat hij wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn buurvrouw door gedurende een periode in de slaapkamer van de buurvrouw te filmen. Het hof heeft de verdachte hiervan vrijgesproken en het volgende overwogen. Het hof heeft geconstateerd dat in de strafzaak niet ter discussie staat dat hij vanuit zijn woning regelmatig met een verborgen videocamera beelden heeft gemaakt van aangeefster, terwijl zij zich in de slaapkamer van haar woning bevond. Het staat ook vast dat de verdachte hierdoor opzettelijk en wederrechtelijk een stelselmatige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Het hof ziet zich evenwel gesteld voor de vraag of de verdachte tevens heeft gehandeld met het oogmerk aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. Het hof heeft vastgesteld dat aangeefster zich geen enkele keer bewust is geweest van de aanwezigheid van de videocamera – die werd aangetroffen tussen de dekens die uit het raam van verdachtes woning hingen – op de momenten dat zij daarmee werd gefilmd. Hierdoor is het hof van oordeel dat het oogmerk van de verdachte om aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen niet uitsluitend kan worden afgeleid uit heimelijke handelingen waarvan het slachtoffer zich pas geheel achteraf bewust is geworden.

Het OM is hiertegen in cassatie gegaan, omdat sprake zou zijn van een onjuiste rechtsopvatting omtrent ‘het oogmerk die ander iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen’.

Rechtsregel

De Hoge Raad overweegt dat het hof met voorgaande overweging heeft miskend dat in een geval als het onderhavige de heimelijkheid van de gedragingen van de verdachte er niet zonder meer aan in de weg behoeft te staan dat hij heeft gehandeld “met het oogmerk een ander te dwingen iets te dulden”. Het kan immers zijn dat de verdachte, door bewust en gedurende langere tijd heimelijk en onopgemerkt te filmen, heeft willen bewerkstelligen dat die ander zich niet kon verzetten tegen het gefilmd worden en aldus werd gedwongen dat filmen te dulden.

Inhoud arrest

De ten laste gelegde en in artikel 285b Sr omschreven gedraging kan ook worden aangemerkt als inbreuk makend op de persoonlijke levenssfeer van een ander indien die ander ten tijde van die gedraging met die gedraging niet bekend was en die ander pas nadien op de hoogte is gekomen van die gedraging (vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).

Het hof heeft deze vooropstelling ook tot uitgangspunt van zijn beslissing genomen, maar de verdachte vervolgens vrijgesproken omdat hij, door de ander gedurende een bepaalde periode heimelijk te filmen, wel inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die ander, maar niet heeft gehandeld met het in artikel 285b Sr bedoelde oogmerk.

Het hof heeft in dat verband vastgesteld dat de aangeefster – de achterbuurvrouw van de verdachte – in de periode van bijna twee jaren waarin zij heimelijk door de verdachte is gefilmd terwijl zij in de slaapkamer van haar woning was, zich niet bewust is geweest dat zij is gefilmd. Het hof heeft geoordeeld dat niet kan worden bewezen dat bij de verdachte sprake was van het oogmerk een ander te dwingen. Daartoe heeft het hof overwogen “dat het oogmerk van de verdachte niet kan worden afgeleid uit enkel heimelijke handelingen” en dat “wanneer het slachtoffer niet op de hoogte is van dergelijke handelingen hij of zij op dat moment niet [kan] worden gedwongen om iets te doen, iets niet te doen of iets te dulden” nu de verdachte “juist niet [heeft] beoogd dat aangeefster op enig moment zou merken dat zij werd gefilmd”.

Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof de vrijspraak ontoereikend gemotiveerd, waardoor het cassatiemiddel slaagt.