ECLI:NL:HR:2020:44 (Bedreiging per e-mail)

Hoge Raad 21 januari 2020, Bedreiging per e-mail
(ECLI:NL:HR:2020:44)

Essentie

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte iedere politieagent die bij hem komt heeft bedreigd met brandstichting, enig misdrijf tegen het leven gericht en een misdrijf waardoor gevaar voor de algemene gezondheid van personen en goederen ontstaat. De verdachte heeft immers opzettelijk dreigende teksten en foto’s per e-mailbericht naar [getuige] verzonden, inhoudende – kort gezegd – dat de verdachte in een bunker zit met twee gasflessen van 50 liter per stuk en dat iedere huurmoordenaar of politieagent die daar komt zal worden opgeblazen. Daarnaast schrijft hij dat hij het complete gebouw zal opblazen wanneer hij ook maar één verdacht persoon of politieagent ziet en dat hij een gijzelaar, een jongen van 16 jaar, heeft. Ten slotte geeft hij aan dat hij een uzi en twee handgranaten heeft en zendt hij drie foto’s mee, waarop onder andere twee aan elkaar verbonden gasflessen te zien zijn, geplaatst voor een voordeur, met daaraan gekoppeld een mobiele telefoon.

De raadsman heeft bepleit dat, gelet op de algemene woordkeuze van de uitlatingen van de verdachte (zoals: ‘iedere politieagent’) en de omstandigheid dat de uitlatingen niet direct door de verdachte tegen de politie zijn geuit, bij de politie niet de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat een politieambtenaar het leven zou kunnen verliezen.

Het hof volgt de raadsman niet in dat standpunt en overweegt dat gelet op de inhoud van de berichten alsmede de foto’s met daarop afgebeeld de voordeur van de verdachte met daaraan vastgemaakt twee gasflessen waaraan een mobiele telefoon is verbonden, sprake is van een voldoende concrete dreiging met een explosie gericht aan de agenten die zich naar de woning van de verdachte zouden begeven.

Rechtsregel

Kan het per e-mail toezenden van dreigende teksten en foto’s, aan een andere dan de bedreigde, worden opgevat als een bedreiging als bedoeld in artikel 285 Sr?

De Hoge Raad overweegt als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen laten (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659) en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252).

Inhoud arrest

Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof, niet onbegrijpelijk, vastgesteld dat blijkens de inhoud van de door de verdachte aan [getuige] gestuurde berichten en foto’s sprake was van “een voldoende concrete dreiging met een explosie gericht aan de agenten die zich naar de woning van de verdachte zouden begeven”, dat [getuige] de politie daarvan op de hoogte heeft gesteld waarbij “de politie de e-mails en de foto’s van de verdachte zeer serieus heeft genomen” en de politie een observatieteam heeft ingeschakeld. Het hof heeft voorts, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, geoordeeld dat de verdachte, gelet op de zeer dreigende inhoud van de berichten en foto’s, bewust de minst genomen aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [getuige] met die berichten en foto’s naar de politie zou gaan.

Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat de verdachte “iedere politieagent die bij verdachte komt” heeft bedreigd op de wijze als bewezen verklaard, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘bedreiging’ als bedoeld in artikel 285 Sr en is het niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte zijn berichten, met foto’s, niet rechtstreeks naar de politie heeft verzonden en dat tevoren niet vaststaat welke bepaalde politieagenten naar de woning zouden komen, maakt dat niet anders.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.