ECLI:NL:HR:2020:281 (Wel of geen medepleger)

Hoge Raad 18 februari 2020. Verdachte is geen medepleger, omdat hij niet wist dat mededader een pistool had meegenomen naar een ripdeal.

(ECLI:NL:HR:2020:281)

Essentie

In deze uitspraak heeft de Hoge Raad bepaald dat een verdachte geen medepleger is van poging tot doodslag wanneer een ripdeal uit de hand loopt, omdat hij niet wist dat zijn mededader een vuurwapen had meegenomen.

Rechtsregel

De voor medeplegen vereiste opzet van verdachte op poging tot doodslag kan niet uitsluitend worden aangenomen op gronden dat bij dwingen van personen om waardevolle spullen af te staan, dan wel daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu, het in de lijn der verwachting ligt dat over en weer wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet, en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan mededader.

Inhoud arrest

In eerste aanleg en in hoger beroep is bewezen verklaard dat verdachte “op 3 maart 2016 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een vooralsnog onbekend gebleven persoon van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een vuurwapen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het opzet dat is vereist voor het medeplegen van poging tot doodslag.

Uit diverse verklaringen die zijn afgelegd bij onder andere de politie, op zitting in eerste aanleg en in hoger beroep, blijkt dat de verdachte en medeverdachte al van plan waren een ripdeal te plegen. De verdachte en medeverdachte hadden het idee om de drugs weg te nemen zonder daarvoor (alles) te betalen. Dit blijkt uit de verklaringen die zijn afgelegd bij de politie. Volgens het Hof was te verwachten dat bij een ripdeal, die eigenlijk plaats vindt in het criminele circuit, mensen vuurwapens bij zich zouden hebben dan wel zouden gebruiken. In casu is dit ook gebeurd en de verdachte en zijn medeverdachte waren hiervan op de hoogte. Het niet inlichten van je partner dat je een vuurwapen bij je hebt is een wezenlijk risico voor beiden. Het ligt niet voor de hand dat van tevoren niet wordt aangegeven dat er een vuurwapen meegaat naar de ripdeal. Het is vastgesteld dat sprake was van een goed en weloverwogen plan en de gezamenlijke uitvoering hiervan, maar ook van een reële kans dat er (vuur)wapens zouden worden gebruikt. Dat maakt dat de voor medeplegen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte voldoende vaststaat.

Wat de poging doodslag betreft, kan uit het dossier worden afgeleid dat op het moment dat de deal vastliep en er ruzie ontstond, de medeverdachte al schietend naar buiten vluchtte en meerdere malen schoot in de richting van de persoon die eerder schoot op hem en de verdachte. De medeverdachte heeft een enkele keer stilstaand en doelbewust gericht geschoten richting de persoon, waarbij de afstand niet meer was dan een aantal meter. Hiermee heeft de medeverdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de persoon op wie hij schoot zou overlijden. Medeverdachte stelt dat hij alleen schoot om zijn achtervolgers op afstand te houden, maar dit wordt verder niet onderbouwd en dus niet meegenomen. Het Hof vond in dezen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Dat de verdachte zelf niet heeft geschoten, doet hier volgens het Hof niets aan af.

De Hoge Raad is echter van mening dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van medeplegen louter op basis van het idee dat het risicovol is om je partner niet in te lichten over het feit dat jij een vuurwapen meeneemt naar een ripdeal.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en verwijst de zaak terug naar het Hof.