ECLI:NL:HR:2020:228 (sepotmededeling)

Hoge Raad 11 februari 2020, Sepotmededeling
(ECLI:NL:HR:2020:228)

Essentie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat van de zijde van het OM een mededeling is gedaan die bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij voor het in de onderhavige zaak ten laste gelegde niet zou worden vervolgd. De raadsman heeft een brief d.d. 20 februari 2017 overgelegd met daarin een printscreen dat de secretaresse van de raadsman hem op 15 september 2015 per e-mail het volgende mededeelde: “Parket Breda belde inzake [verdachte]. Zaak wordt geseponeerd.” Dit strookt volgens de raadsman met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2018, waarin een verbalisant heeft gerelateerd dat de officier van justitie heeft besloten dat de verdachte, die op 14 juni 2015 in verzekering was gesteld, mocht worden heengezonden met vermoedelijk een sepot 02.

Het hof heeft het verweer van de raadsman verworpen en geoordeeld dat de officier van justitie door de verdachte te vervolgen niet heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Om die reden ziet het hof geen aanleiding om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging.

Rechtsregel

Het cassatiemiddel richt zich tegen de verwerping van het hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging had moeten worden verklaard op de grond dat een sepotmededeling bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat hij voor het ten laste gelegde feit niet zou worden vervolgd.

De Hoge Raad overweegt als volgt:
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet worden vooropgesteld dat in artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. (Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280.)
Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7).”

Inhoud arrest

Het hof heeft overwogen dat geen sprake is van een situatie welke te bestempelen is als een uitzonderlijk geval waarin de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet verder zal worden vervolgd. De sepotmededeling, waarvan onbekend is of deze van politiezijde of OM-zijde is gedaan, is blijkens later onderzoek gedaan vanwege de omstandigheid dat verdachte onterecht was aangehouden nadat de signalering van de verdachte in de administratie van de politie ‘open’ is blijven staan. Dat verwarring bij de raadsman c.q. verdachte is ontstaan nadat eerder een piketmelding op nummer van de onderhavige strafzaak was gedaan, doet daar niet aan af, mede in aanmerking genomen dat de raadsman na de vermeende sepotmededeling heeft aangegeven de verdachte in een latere fase na 14 september 2015 nog te hebben gesproken en met (het onderdeel) ZSM van het Openbaar Ministerie contact te hebben gehad. Met name bij het laatstgenoemde contact had de raadsman de gelegenheid eventuele onduidelijkheden (van wie is het sepot afkomstig en voor welke zaak?) te verhelderen. Een en ander had voor de raadsman aanleiding moeten zijn om bij een bevoegd persoon binnen het Openbaar Ministerie, bijvoorbeeld de officier van justitie, nader informatie in te winnen over de status van de zaak. Dit is niet geschied.

De Hoge Raad overweegt hieromtrent dat het hof bij de beoordeling van de zaak in het midden heeft gelaten of het overgelegde bericht van de raadsman een juiste en volledige weergave bevat van wat kennelijk door of namens de officier van justitie telefonisch aan de secretaresse van de raadsman is medegedeeld. Daarmee heeft het hof eveneens in het midden gelaten of een (eventuele) onjuiste of onvolledige weergave van de desbetreffende mededeling aan het Openbaar Ministerie moet worden toegerekend, dan wel voor rekening dient te komen van de verdachte, terwijl het in zijn oordeel wel omstandigheden heeft betrokken waarvan het niet heeft vastgesteld dat deze omstandigheden kenbaar waren voor de verdediging ten tijde van de gedane mededeling. Aldus heeft het hof de verwerping van het verweer niet toereikend gemotiveerd (vgl. HR 18 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0643).

Het cassatiemiddel slaagt in zoverre.