ECLI:NL:HR:2019:676 (Diefstal: feitelijke heerschappij over goed verschaft)

Hoge Raad, 23 april 2019, Diefstal: feitelijke heerschappij over goed verschaft
(ECLI:NL:HR:2019:676)

Essentie

De aangever heeft € 400,00 overhandigd aan de verdachte, omdat hij op basis van een advertentie op Marktplaats had afgesproken voor € 400,00 een iPhone te kopen. Echter, op het moment dat de verdachte de € 400,00 van aangever in zijn handen krijgt, levert de verdachte geen iPhone, maar rent hij weg met het geld. Vervolgens rent aangever achter de verdachte aan, maar verdachte blijft ook dan wegrennen. De raadsvrouw van de verdachte stelt zich op het standpunt dat het wegrennen met geld nadat de aangever dat had overhandigd, niet onder een wegnemingshandeling valt zoals bedoeld in artikel 310 Sr.

Rechtsregel

Heeft de verdachte zich op het moment dat hij, zonder de beloofde iPhone te leveren, met het geld wegrent en blijft wegrennen de feitelijke heerschappij over het goed verschaft in de zin van artikel 310 Sr? Het hof is van oordeel dat de verdachte op het moment dat hij met het geld wegrent en blijft wegrennen als heer en meester over het geld beschikt en hij zich dat geld op dat moment wederrechtelijk toe-eigent. Hiermee heeft de verdachte zich de feitelijke heerschappij over het geld verschaft.

Inhoud arrest

Voor een veroordeling ter zake van diefstal van een aan een ander toebehorend goed – een en ander als bedoeld in artikel 310 Sr – is onder meer vereist dat de dader zich de feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2627).

Blijkens de vaststellingen van het hof heeft de verdachte op het moment dat hij € 400,00 van de aangever in handen kreeg niet een iPhone geleverd, zoals met de aangever was afgesproken, maar is hij met dat geld weggerend. Mede op basis van deze vaststellingen heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte zich aldus de feitelijke heerschappij over het geld heeft verschaft en dat sprake was van ‘wegneming’ in de zin van artikel 310 Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.