ECLI:NL:HR:2019:1589 (Rechter mag getuige niet telefonisch horen)

Hoge Raad, 15 oktober 2019. Getuigenverklaringen mogen ter terechtzitting niet telefonisch worden afgenomen
(ECLI:NL:HR:2019:1589)

Essentie

In een strafzaak bij het Hof ’s-Hertogenbosch is een secretaresse van de kliniek waar de verdachte is behandeld door het Hof telefonisch als getuige gehoord. Deze verklaring is door het hof meegenomen in de bewijsvoering en mede op basis van deze verklaring is de straf bepaald. Volgens het hof ‘is gebleken’ dat de behandeling van de verdachte bij de betreffende kliniek niet geheel positief is afgerond.

Rechtsregel

De vraag is of getuigen telefonisch ter terechtzitting mogen worden gehoord. De Hoge Raad geeft aan dat de wet hiertoe geen mogelijkheid biedt, dus het mag niet. Het uitgangspunt is dat een getuige op zitting moet verschijnen om te worden gehoord (art. 287 lid 1 en 2 Sv). Dit is ook het geval als het verhoor wordt geleid door een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris.

Inhoud arrest

De verdachte werd in dezen dierenmishandeling verweten alsmede het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en wederspannigheid. Wanneer de verdachte naar zijn persoonlijke omstandigheden wordt gevraagd, verklaart hij dat het goed met hem gaat, dat hij van de drank en drugs af is en dat hij zijn behandeling bij de kliniek goed heeft afgerond. De verdediging geeft aan dat de betreffende behandeling geen voorwaarde was in het vorige vonnis (inzake huiselijk geweld), maar dat cliënt daar op eigen initiatief naartoe is gegaan. De verdediging geeft echter aan geen rapport ter beschikking te hebben. De verdediging neemt telefonisch contact op met de kliniek en een secretaresse geeft een mondelinge verklaring omtrent het rapport.

Dit is in strijd met de wet, want er staat nergens dat getuigen via de telefoon mogen worden verhoord. De wet biedt deze mogelijkheid niet. Getuigen kunnen wel worden gehoord via videoconferentie, aldus blijkt uit art. 131a Sv. Uit de wetsgeschiedenis van het Besluit videoconferentie (Stb. 2006, 275) blijkt dat bewust de keuze is gemaakt om telefonische getuigenverhoren niet toe te staan. Als alleen een geluidsverbinding beschikbaar is, kan de betrouwbaarheid van de verklaring niet of nauwelijks worden getoetst. Bovendien speelde in deze zaak ook dat de getuige niet was beëdigd en zodoende werd gehoord in strijd met de wet. Hier deed de Hoge Raad niets mee, maar de advocaat-generaal concludeerde dat als een verhoor niet is toegestaan, beëdiging niet aan de orde is.

Het vreemde is dat de verdachte in hoger beroep een lagere straf heeft gekregen dan in eerste aanleg (een voorwaardelijke celstraf met bijzondere voorwaarde versus een onvoorwaardelijke gevangenisstraf) en hij desondanks in cassatie is gegaan. Hoewel het niet is toegestaan om een getuigenverklaring ter zitting telefonisch af te nemen, wordt het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad weet niet wat de verdachte nu precies wil, maar hij heeft onvoldoende belang bij zijn klacht. De uitspraak van het hof blijft dus in stand.