ECLI:NL:HR:2019:1554 (Vastpakken scrotum gekwalificeerd als mishandeling?)

Hoge Raad, 8 oktober 2019, Vastpakken scrotum gekwalificeerd als mishandeling
(ECLI:NL:HR:2019:2019:1554)

Essentie

Verdachte heeft in de nacht van 19 januari 2014 een bekeuring gekregen voor wildplassen. Nadien ontstond er een woordenwisseling tussen de verdachte en verbalisant 1, waarbij de verdachte de politiepet van het hoofd van verbalisant 1 tikte. Hierop wilde verbalisant 1 overgaan tot aanhouding van de verdachte. Toen is er een worsteling ontstaan waarbij de verdachte en verbalisant 1 ten val zijn gekomen. Eenmaal op de grond heeft de verdachte de testikels van verbalisant vastgepakt. Verbalisant 2 heeft vervolgens de hand van de verdachte weggetrokken, waarna de verdachte voor de tweede maal de testikels van verbalisant 1 vastpakte. De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof dit feit bekend.

Rechtsregel

Kan het vastgrijpen van het scrotum worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr? Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte door het vastpakken van de testikels van de hoofdagent aldus min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording teweeg heeft gebracht en dat hij de hoofdagent heeft mishandeld. Naar het oordeel van de Hoge Raad is dit niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Inhoud arrest

Tegen het arrest van het hof is cassatie ingesteld, omdat – naar het oordeel van de verdediging – de bewezenverklaring onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd. De bewezenverklaring in onderhavige zaak steunt op een viertal bewijsmiddelen, waaronder de processen-verbaal van verbalisanten 1 en 2, proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden ter plaatse en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof.

Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof overwogen dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte pijn of letsel heeft veroorzaakt bij verbalisant 1. Toch komt het hof tot een bewezenverklaring voor mishandeling. Het hof verwijst hierbij naar de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt:

Onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 Sr. moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede – onder omstandigheden – het opzettelijk bij een ander teweegbrengen van min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.”

Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van een dergelijke onlust veroorzakende gewaarwording van het lichaam van verbalisant 1, nu de verdachte tot twee keer toe zijn scrotum, een – naar algemeen bekend is – uitgesproken erogene zone en zeer gevoelige plek bij een man, heeft vastgepakt. Uit de uitlating van verbalisant 1 daarover direct na de worsteling, “ik ben bij mijn ballen gepakt’, leidt het hof af dat verbalisant 1 deze handeling van de verdachte in de hiervoor beschreven zin heeft ervaren.

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is.

Het beroep wordt verworpen.