ECLI:NL:HR:2019:1541 (Verontschuldigbare termijnoverschrijding instellen rechtsmiddel)

Hoge Raad, 8 oktober 2019, Verontschuldigbare termijnoverschrijding instellen rechtsmiddel
(ECLI:NL:HR:2019:1541)

Essentie

De verdachte is op 9 november 2016 in eerste aanleg bij verstek veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. Hiertegen heeft de verdachte op 20 december 2016 hoger beroep ingesteld. Op grond van artikel 408 lid 1 Sv heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaard, omdat het rechtsmiddel niet tijdig is ingesteld. De raadsman heeft hiertegen aangevoerd dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar is, omdat de oproeping voor de zitting in eerste aanleg niet in de Roemeense taal is uitgereikt. De verdachte heeft namelijk de Roemeense nationaliteit en is de Nederlandse taal niet machtig.

Rechtsregel

Is er sprake van verontschuldigbare termijnoverschrijding nu op grond van artikel 260 lid 5 Sv aan de verdachte een vertaling van de oproeping ter terechtzitting in eerste aanleg had moeten worden verstrekt?

Het hof heeft vastgesteld dat de oproeping voor de terechtzitting in eerste aanleg aan de verdachte in persoon is betekend, zodat op grond van artikel 408 lid 1 onder a Sv binnen 14 dagen na de einduitspraak hoger beroep had moeten worden ingesteld. Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat het namens de verdachte op 20 december 2016 ingestelde hoger beroep tegen het vonnis d.d. 9 november 2016 te laat is ingesteld. Het namens de verdachte gevoerde verweer dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, heeft het hof verworpen door te overwegen dat uit het faxbericht van de raadsman van de verdachte d.d. 8 november 2016 – waarin de raadsman aangeeft dat de verdachte niet ter terechtzitting zal verschijnen – kan worden opgemaakt dat de verdachte contact heeft opgenomen met zijn raadsman en aldus op de hoogte was van de terechtzitting in eerste aanleg van 9 november 2016. Dat geen schriftelijke vertaling van de oproeping in Roemeense of andere voor de verdachte begrijpelijke taal is verstrekt, doet daar niets aan af. Het oordeel van het hof getuigt volgens de Hoge Raad niet van onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

Inhoud arrest

Het middel in cassatie richt zich tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep niet verontschuldigbaar is.

Ter terechtzitting in hoger beroep stelt de raadsman zich op het standpunt dat zijn cliënt ontvankelijk is in zijn hoger beroep, nu aan zijn cliënt, die de Nederlandse taal niet machtig is, alleen de dagvaarding in de Nederlandse taal is uitgereikt en niet in de Roemeense taal. Volgens de raadsman was zijn cliënt niet op de hoogte van de zitting van 9 november 2016.

Het hof stelt vast dat uit de stukken blijkt dat de oproeping aan de verdachte op 13 september 2016 in persoon is uitgereikt voor de zitting van 9 november 2016. De raadsman van de verdachte heeft op 8 november 2016 per faxbericht aan de rechtbank medegedeeld dat de verdachte niet ter terechtzitting zal verschijnen omdat de dagvaarding niet in het Roemeens vertaald is. De juistheid van deze op het Aantekening mondeling vonnis weergegeven mededeling is door de verdediging niet bestreden. Het is het hof ambtshalve bekend dat de raadsman, evenals zijn kantoorgenoot, de Roemeense taal beheersen, reden waarom veel Roemeense verdachten zicht tot hen wenden voor rechtsbijstand.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte voorafgaande aan de zitting contact heeft opgenomen met zijn advocaat over deze zitting. Het kan niet anders dan dat de raadsman toen heeft medegedeeld wat de dagvaarding, die de verdachte getoond moet hebben, inhield. Het ontbreken van de Roemeense vertaling was vervolgens de reden om mede te delen dat de verdachte niet ter zitting zou verschijnen.

Het hof is van oordeel dat de vorenomschreven gang van zaken volstrekt duidelijk maakt dat de verdachte op de hoogte was van de zitting van 9 november 2016. Daaraan doet niet af dat bij de hem uitgereikte dagvaarding geen Roemeense vertaling gevoegd was. De verdachte dan wel diens raadsman had tijdig dienen te informeren wat de kantonrechter met de mededeling van niet-verschijnen had gedaan, teneinde eventueel binnen de daarvoor geldende termijn hoger beroep in te stellen. Nu dat niet is gebeurd, dient de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep te worden verklaard.

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Overschrijding van de termijn in hoger beroep door de verdachte betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn (vgl. 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706).

Het oordeel van het hof is, mede gelet op de inhoud van het faxbericht waaruit het hof niet-onbegrijpelijk heeft afgeleid dat de verdachte contact had opgenomen met zijn advocaat, die vervolgens aan de rechtbank heeft medegedeeld dat de verdachte niet naar de zitting komt omdat de dagvaarding niet is vertaald, niet onbegrijpelijk. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep niet verontschuldigbaar is en dat de verdachte daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.