ECLI:NL:HR:2019:1414 (Eigen waarneming van de rechter)

Hoge Raad, 24 september 2019, Eigen waarneming van de rechter
(ECLI:NL:HR:2019:1414)

Essentie

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door haar krachtig in het gezicht te slaan. De bewezenverklaring steunt onder meer op de eigen waarneming van het hof aan de hand van de in het dossier gevoegde camerabeelden. Die eigen waarneming is buiten het verband van de terechtzitting gedaan. Het hof neemt waar dat op het moment dat verdachte uithaalt en zijn hand aangeefster zou moeten raken, het hoofd van aangeefster omklapt. Na de woordenwisseling en het geduw en getrek na deze klap, is te zien dat verdachte wegloopt. Aangeefster gaat dan met haar hand naar de wang die door de verdachte is geraakt en die hand blijft daar enige tijd zitten.

Rechtsregel

Het middel stelt de vraag aan de orde of, en zo ja, onder welke voorwaarden een eigen waarneming van de rechter van een opname van beeld en/of geluid tot het bewijs kan meewerken, wanneer die waarneming door de rechter buiten het verband van de terechtzitting is gedaan. De Hoge Raad overweegt dat voor het bewijs gebruik kan worden gemaakt van een buiten het verband van de terechtzitting gedane eigen waarneming van de rechter van een opname van beeld en/of geluid, indien:

  • die opname tijdens het onderzoek op de terechtzitting aan de orde is gesteld;
  • de verdediging en het Openbaar Ministerie van die opname kennis hebben kunnen nemen; en
  • ter terechtzitting door de aldaar aanwezige verdachte, raadsman of vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie geen bezwaar is gemaakt tegen het niet vertonen of ten gehore brengen van die opname ter terechtzitting.

Het is hierbij van belang dat de rechter op grond van art. 301, derde lid, Sv gehouden is mondeling mededeling te doen van de korte inhoud van de tot de processtukken behorende, maar niet ter terechtzitting vertoonde of beluisterde opname van beeld en/of geluid. Hiertoe volstaat in beginsel een korte aanduiding of een samenvatting van de inhoud van de opname van beeld en/of geluid. Onder omstandigheden kan de rechter echter gehouden zijn de eigen waarneming van de opname van beeld en/of geluid nader ter terechtzitting aan de orde te stellen. Dat is het geval indien de procespartijen door het latere gebruik van de eigen waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij met (de inhoud of de strekking van) de waarneming van de rechter geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van de waarneming met het overige voorhanden bewijsmateriaal (vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2831).

Inhoud arrest

Aan het bepaalde in art. 340 Sv dat de waarneming van de rechter “bij het onderzoek op de terechtzitting” is gedaan, ligt ten grondslag dat de eigen waarneming van de rechter alleen als wettig bewijsmiddel kan meewerken tot het bewijs, indien ook zowel de verdachte en de raadsman als de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daarover uit te laten bij de behandeling van de zaak (vgl. HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6414).

Opnamen van beeld en/of geluid die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn dienen op de voet van art. 149a, tweede lid, Sv bij de processtukken te worden gevoegd, behoudens het bepaalde in 
art. 149b Sv. Van deze processtukken kan door de verdachte en zijn raadsman reeds voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting worden kennisgenomen (vgl. art. 33 Sv). Dat geldt ook indien het beeld- of geluidsmateriaal is opgenomen en vastgelegd op een gegevensdrager (art. 137 Sv). Voor zover beeld- of geluidsmateriaal dat voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang is, (nog) geen onderdeel uitmaakt van de processtukken, kan – al dan niet op verzoek van de verdachte (art. 34 Sv) of op bevel van de zittingsrechter (art. 315, eerste lid, Sv) – voeging daarvan door de officier van justitie plaatsvinden.

Mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen over de voeging bij de processtukken en de daarmee verband houdende mogelijkheid van kennisneming van beeld- of geluidsmateriaal voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, staat de ratio van art. 340 Sv er niet zonder meer aan in de weg dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van een buiten het verband van de terechtzitting gedane eigen waarneming van een opname van beeld en/of geluid.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de camerabeelden, die betrekking hebben op de confrontatie tussen de verdachte en de aangeefster en die door het hof buiten het verband van de terechtzitting zijn bekeken, tot de processtukken behoren, dat deze ter terechtzitting aan de orde zijn gesteld en dat de raadsman zich bij het voeren van verweer over de beelden heeft uitgelaten. Het proces-verbaal houdt niet in dat door de verdediging of de advocaat-generaal bij het hof bezwaar is gemaakt tegen het niet vertonen van die beelden tijdens het onderzoek ter terechtzitting, zodat het ervoor moet worden gehouden dat een dergelijk bezwaar niet is gemaakt. Gelet hierop heeft het hof de eigen waarneming van het hof voor het bewijs mogen bezigen.

Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.