ECLI:NL:HR:2019:1151 (In hulpeloze toestand laten kinderen)

Hoge Raad 9 juli 2019, In hulpeloze toestand laten kinderen
(ECLI:NL:HR:2019:1151)

Essentie
Verdachte is veroordeeld voor het opzettelijk in hulpeloze toestand laten van haar 2 pasgeboren jongens. De vader van de kinderen ging steeds vaker ruwer met de kinderen om, wat heeft geleid tot 20 respectievelijk 13 ribbreuken bij de baby’s. De bewijsklacht is gericht op het bestanddeel opzettelijk.

Rechtsregel
Heeft verdachte de pasgeboren baby’s opzettelijk in een hulpeloze toestand gelaten? Volgens het Hof heeft verdachte door na te laten tijdig hulp in te roepen dan wel anderszins de kinderen in veiligheid te brengen, daar waar optreden haar plicht was en die mogelijkheid voor haar ook bestond, haar kinderen in een hulpeloze toestand gelaten. Zij heeft zich daardoor schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte “opzettelijk” haar pasgeboren kinderen in een hulpeloze toestand heeft gelaten, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd.

Inhoud arrest
Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2017 heeft verdachte het volgende verklaard:

“De vader van de kinderen is na de geboorte aanvankelijk liefdevol en zorgzaam met de tweeling omgegaan. Op enig moment ging hij echter steeds ruwer met de kinderen om. Vanaf ongeveer de tweede helft van januari richting februari werd verdachte bezorgd en bang dat de kinderen letsel zouden oplopen. Dit ruwe gedrag bestond volgens verdachte uit het met één van de kinderen in de hand de trap op- en afrennen als hij de kinderen boven ging verschonen of aan- uitkleden, het op hardhandige wijze vastpakken, verschonen en aankleden van de kinderen en het heen en weer schudden van de kinderen.”

Gelet op de voornoemde mishandelingen, die verdachte al eerder heeft waargenomen en de omstandigheid dat zij moet hebben geweten dat er door het handelen van de vader van de kinderen gevaar bestond voor het leven of de gezondheid van die kinderen, had verdachte, als moeder zijnde, de rechtsplicht om al eerder in te grijpen en hulp in te schakelen. Aan die plicht heeft zij niet voldaan.

Op grond van het vorenstaande staat naar het oordeel van het Hof vast dat de baby’s door de toenmalige partner van verdachte werden mishandeld en dat verdachte daarvan op de hoogte was. De mishandelingen hebben op basis van de aanwezige bewijsmiddelen in ieder geval plaatsgevonden in de periode vanaf 1 januari tot 24 februari 2014. Gezien de kwetsbaarheid van de zeer jonge kinderen moet verdachte hebben geweten dat door het handelen van de vader van de kinderen gevaar bestond voor het leven of de gezondheid van die kinderen. Door niet tijdig adequaat in te grijpen heeft verdachte minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat door het handelen van haar ex-partner en door haar eigen nalatigheid, de kinderen grote risico’s liepen.

Het Hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verdachte de baby’s opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gelaten en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 255 Sr. Het feit dat verdachte wist van de mishandelingen, maar niet ingreep om de situatie te doen stoppen, maakt dat sprake is van opzet op het in hulpeloze toestand laten. Dit oordeel getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting.