ECLI:NL:HR:2018:718 (Voorwaardelijk opzet-begrip verruimd?)

Hoge Raad 29 mei 2018, Voorwaardelijk opzet-begrip verruimd?(ECLI:NL:HR:2018:718)

Essentie
Dit arrest gaat over een Hazewindhond genaamd Hunter die op 25 februari 2015 werd aangevallen door een drietal honden van het ras Amerikaanse Staffordshireterriër. Deze honden zijn een jaar eerder ook al betrokken geweest bij een bijtincident, waarna een risico-inschatting is gemaakt door een deskundige. Desondanks heeft de eigenaar de drie honden tegelijkertijd uitgelaten en eveneens losgelaten in het uitlaatgebied. Naar het oordeel van de Hoge Raad bestond hierdoor een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de drie honden een andere hond zouden bijten, welk risico zich heeft verwezenlijkt. Hiermee heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit gevolg zal intreden.

Rechtsregel
Is een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid voldoende om te kunnen spreken van een aanmerkelijke kans in de zin van het voorwaardelijk opzet? Volgens de Hoge Raad wordt met de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering “geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans”.

Inhoud arrest
Op 25 februari 2015 liep Hunter met zijn baasje op het Hannemanplantsoen. Aldaar sprongen de drie honden van de verdachte over de omheining van het hondenuitlaatgebied heen en vielen Hunter aan. Door de vele bijtwonden die Hunter door dit incident heeft opgelopen is besloten hem in te laten slapen. De drie honden waren een jaar eerder ook al betrokken geweest bij een bijtincident, wat destijds leidde tot een onderzoek door een deskundige. Deze deskundige heeft een risico-inschatting gemaakt waaruit naar voren kwam dat de kans op een nieuw bijtincident ‘reëel, maar klein’ was. Destijds werd aanbevolen om niet meer dan twee honden tegelijk uit te laten en de honden aangelijnd te houden.

Hoewel de honden op de desbetreffende dag werden uitgelaten door een ander dan degene die bij het eerdere bijtincident aanwezig was geweest, was de verdachte wel op de hoogte van het eerdere bijtincident en de aanbevelingen van de deskundige. De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat de drie honden niet tegelijkertijd mochten worden uitgelaten, dat er een reële kans bestond dat zich weer een bijtincident voor zou doen en dat hij de honden aangelijnd moest houden. Desondanks heeft de verdachte ervoor gekozen om de drie honden samen uit te laten en bij het uitlaatgebied los te laten, met alle gevolgen van dien. Volgens de Hoge Raad heeft de verdachte door zijn gedraging bewust de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid aanvaard dat de drie honden een andere hond zouden bijten en daardoor zouden beschadigen.

Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 114 uren, te vervangen met 57 dagen hechtenis.