ECLI:NL:HR:2018:368 (Rechtsbijstand en mededeling)

Hoge Raad, 20 maart 2018, Rechtsbijstand en mededeling
(ECLI:NL:HR:2018:368)

Essentie

Op grond van art. 27c lid 2 Sv dient de niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling te worden gedaan van het, in art. 28 lid 1 Sv gewaarborgde, recht om zich te doen bijstaan door een raadsman. Wordt dat voorschrift niet nageleefd, dan levert dat in beginsel een vormverzuim op in de zin van art. 359a Sv.

Rechtsregel

Met het oog op verzekering van het recht op een eerlijk proces van art. 6 EVRM geldt dat zo’n vormverzuim in beginsel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de afgelegde verklaring, tenzij verdachte door het achterwege blijven van de desbetreffende mededeling niet in zijn verdediging is geschaad. Het Hof had ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of verdachte mededeling is gedaan van zijn recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het eerste verhoor. Nu het Hof dat heeft nagelaten, is de verwerping van het verweer ontoereikend gemotiveerd. Vernietiging en terugwijzing volgt.

Inhoud

Het hof beslist op het beroep op bewijsuitsluiting alsvolgt:
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaring, die verdachte heeft afgelegd bij de politie, dient te worden uitgesloten voor het bewijs. Niet gebleken is dat verdachte overeenkomstig de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor is gewezen op de mogelijkheid om voorafgaand aan een verhoor een advocaat te raadplegen. Verdachte heeft geen advocaat gesproken voordat hij zijn verklaring heeft afgelegd. Volgens de raadsvrouw is dit in strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM.

Bij de beoordeling van het verweer is van belang om vast te stellen dat verdachte is ontboden op het politiebureau om te worden verhoord, dat hij als verdachte is gehoord en dat aan hem voorafgaand aan het verhoor de cautie is gegeven.

Het hof verwerpt het beroep op bewijsuitsluiting. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan diens eerste verhoor gewezen dient te worden op het recht een advocaat te raadplegen, zulks op straffe van uitsluiting van het bewijs van de door de verdachte afgelegde verklaring. Deze regel geldt niet zonder meer als het gaat om een niet-aangehouden verdachte.
Nu verdachte zich op verzoek van de politie heeft gemeld op het politiebureau en hem voorafgaand aan het verhoor de cautie is gegeven en geen sprake is van een aangehouden verdachte, bestond voor verdachte reeds daarom geen recht op het raadplegen van een advocaat voorafgaand aan het verhoor. Op grond van art. 27c lid 2 Sv dient de niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor te worden medegedeeld van het, in art. 28 lid 1 Sv gewaarborgde, recht om zich te doen bijstaan door een raadsman. Indien dat voorschrift niet is nageleefd levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv. Met het oog op de verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM geldt dat zo een vormverzuim, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de ter gelegenheid van het verhoor afgelegde verklaring, tenzij de verdachte door het achterwege blijven van de desbetreffende mededeling niet in zijn verdediging is geschaad.