ECLI:NL:HR:2018:23 (Ne bis in idem-beginsel binnen het verkeersstrafrecht)

Hoge Raad 16 januari 2018, Ne bis in idem-beginsel binnen het verkeersstrafrecht
(ECLI:NL:HR:2018:23)

Essentie
In deze zaak werd een verdachte strafrechtelijk vervolgd voor het weigeren medewerking te verlenen aan een ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet. Ter zake van dit feit heeft het CBR een bestuursrechtelijke maatregel, te weten de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA) aan verdachte opgelegd. Bovendien is ter zake van ditzelfde feit een strafvervolging ingesteld door het OM. Volgens de advocaat van de verdachte levert dit een schending van het ne bis in idem-beginsel op.

Rechtsregel
Is er sprake van een schending van het ne bis in idem-beginsel wanneer iemand voor een gedraging zowel strafrechtelijk wordt vervolgd als een bestuursrechtelijke maatregel, te weten een EMA, opgelegd krijgt? Naar het oordeel van de Hoge Raad geeft ’s Hofs oordeel dat het OM het recht tot strafvervolging van verdachte niet verliest door de enkele omstandigheid dat in verband met hetzelfde feit een EMA is opgelegd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Inhoud arrest
De verdachte heeft op 2 mei 2015 als bestuurder van een auto geweigerd medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Ter zake van dit feit is door het CBR een EMA opgelegd, die de verdachte met goed gevolg heeft afgerond. Bovendien is jegens de verdachte een strafvervolging ingesteld wegens verdenking van overtreding van artikel 8 WVW. Een EMA is volgens de advocaat van de verdachte vergelijkbaar met de maatregel van een leerstraf, wat een punitief karakter heeft. Zodoende kan worden gesteld dat een EMA ook een punitief karakter heeft. Concluderend stelt de raadsman dat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging, omdat er sprake is van een dubbele vervolging. Hierbij werd verwezen naar het arrest dat de Hoge Raad wees met betrekking tot het Alcoholslotprogramma, waarin de Hoge Raad schrijft dat hetgeen in voornoemd arrest is overwogen met betrekking tot de strafvervolging van een verdachte voor het rijden onder invloed van een alcoholhoudende drank, eveneens geldt in zaken waarin een verdachte weigert mee te werken aan een ademonderzoek.

Het Hof heeft dit verweer verworpen en motiveert dit als volgt. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft meermaals en recentelijk in de uitspraak van 20 juli 2016 geoordeeld dat een EMA geen maatregel is met een punitief karakter, waardoor er geen sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM. Dit brengt met zich mee dat de uit artikel 6 EVRM volgende waarborgen, waaronder het door de raadsman bedoelde ne bis in idem-beginsel, niet in rechte kunnen worden ingeroepen.

Het opleggen van een EMA is een bestuurlijke maatregel die erop gericht is deelname aan een cursus over alcohol en verkeer af te dwingen. Zoals gezegd is deze maatregel niet punitief van aard (vgl. EHRM 7 november 2000, 45282/99 (Blokker t. Nederland) en ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1711).

Naar het oordeel van de Hoge Raad geeft ’s Hofs oordeel geen blijk van onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin ontoereikend gemotiveerd. Ook meende de Hoge Raad dat een vergelijking met de uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest over het Alcoholslotprogramma, waar de raadsman naar verwees, niet opging. Het beroep is verworpen.