ECLI:NL:HR:2018:2110 (De doorkijkbenadering in de doorkijkarresten – Het derde doorkijkarrest (HR))

Hoge Raad, 30 november 2018, De doorkijkbenadering in de doorkijkarresten – Het derde doorkijkarrest (HR)
(ECLI:NL:HR:2018:2110

Essentie

In dit standaardarrest is een belangrijke toepassing voor de overdrachtsbelasting opgenomen: de doorkijkbenadering. Dit is het derde zogenaamde doorkijkarrest. De achtergrond bij deze arresten is dat in de objectieve vrijstellingen voor de overdrachtsbelasting (art. 15 WBR) geen beroep kan worden gedaan op een aantal vrijstellingen, indien de onroerende zaken niet direct zijn verkregen maar middels een tussenliggende vennootschap. Deze doorkijkarresten laten zien in hoeverre het dan toch mogelijk is om – in afwijking van de wettekst – de objectieve vrijstellingen ook toe te passen bij indirecte verkrijgingen van vastgoed.

Rechtsregel

De OZR-regeling (art. 4 WBR)[1] heeft geen verdere strekking dan te verhinderen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen, de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan. Tijdens de invoering van deze regeling is niet beoogd het belastbaar feit van de overdrachtsbelasting uit te breiden.

Dit betekent dat ook bij een indirecte verkrijging van onroerende zaken (gebouwen) de objectieve vrijstellingen kunnen worden toegepast, mits bij een directe verkrijging van die onroerende zaak ook de vrijstelling zou gelden. Belastingplichtige moet dus door de vennootschap heen kijken en kijken of de achterliggende deelnemer een beroep had kunnen doen op die vrijstelling.

De doorkijkbenadering geldt op basis van het derde doorkijkarrest, voor alle objectieve vrijstellingen in artikel 15 WBR. Dit is een uitbreiding van de doorkijkbenadering ten opzichte van de eerste twee doorkijkarresten (welke tweemaal op een enkele vrijstelling zag).

Inhoud arrest

In het derde doorkijkarrest schenkt een moeder al haar aandelen in een holding aan haar zoon. De holding houdt een belang in een dochtermaatschappij. Beide vennootschappen drijven een materiële onderneming en exploiteren onroerende zaken. De verkrijging van de aandelen in de holding is in beginsel een belastbaar feit in de overdrachtsbelasting op basis van de artikel 4 WBR. Dit is de zogenaamde ‘onroerende zaak rechtspersoon regeling’, ook wel als ‘OZR-regeling’ geduid.[1]

In geschil is of de zoon voor de overdrachtsbelasting recht heeft op de toepassing van de objectieve vrijstelling voor een bedrijfsopvolging (‘’familievrijstelling’’). De heffing van de overdrachtsbelasting blijft bij toepassing van de familievrijstelling achterwege, indien onroerende zaken worden verkregen van een kwalificerend familielid en dit vastgoed dienstbaar is aan de overgedragen onderneming. Wettelijk voldoet de zoon niet aan twee voorwaarden:

  • Ten eerste zijn de aandelen in de holding geen goederen die dienstbaar zijn aan de verkregen ondernemingen.
  • Ten tweede zet niet een kwalificerend familielid de dochteronderneming voort, maar de holding.
    • Als de zoon de onderliggende onroerende zaken als het ware rechtstreeks verkrijgt voldoet hij wel aan de voorwaarden van de familievrijstelling.

De Hoge Raad overweegt dat de artikelen 4 en 10 WBR de verkrijging van OZR-aandelen belast als ware de onderliggende onroerende zaken zelf zijn verkregen. De OZR-regeling heeft geen verdere strekking dan te verhinderen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan. Met deze fictie is getuige de wetsgeschiedenis niet beoogd de verkrijging van OZR-aandelen onder de heffing van de overdrachtsbelasting te brengen, voor zover de rechtstreekse verkrijging van de onderliggende onroerende zaken buiten de heffing zouden blijven vanwege een objectieve vrijstelling (artikel 15 WBR).

De OZR-regeling heeft dus een beperkte strekking, het creëert geen additionele belastingplicht. De Hoge Raad oordeelt dat bij de verkrijging van OZR-aandelen, de toepassing van alle objectieve vrijstellingen moeten worden beoordeeld als ware het vastgoed rechtstreeks is verkregen (‘’de doorkijkbenadering’’). Dit is een uitbreiding van de doorkijkbenadering, want de voorgaande twee doorkijkarresten hanteren elk de doorkijkbenadering voor een enkele objectieve vrijstelling. Aangezien belanghebbende zou voldoen aan de voorwaarden van de familievrijstelling, indien de onroerende zaken rechtstreeks waren verkregen, mag de holding toch de familievrijstelling toepassen. Er was verder ook geen sprake van het ontgaan van belasting of misbruik van recht. Het gelijk is dus aan de zoon en zijn holding.

[1] Deze bepaling is in het leven geroepen om te voorkomen dat indirecte verkrijgingen van onroerende zaken, onbelast bleven. In het verleden waren namelijk – kortgezegd – alleen rechtstreekse verkrijgingen van onroerende zaken belast. Om overdrachtsbelasting te voorkomen, werden de onroerende zaken in een vennootschap ingebracht. De verkoper verkocht de aandelen van die vennootschap aan de koper. Dit was niet belast met overdrachtsbelasting, voor de invoering van de OZR-regeling, omdat niet direct een onroerende zaak was verkregen. Er waren vaak ook geen problemen voor de vennootschapsbelasting, omdat het resultaat op de verkochte aandelen onder de deelnemingsvrijstelling valt (oftewel onbelast). Artikel 4 WBR is derhalve een antiontgaansbepaling.