ECLI:NL:HR:2018:1125 (Gebruik van Google Maps als bewijs)

HR 10 juli 2018, Gebruik van Google Maps als bewijs
(ECLI:NL:HR:2018:1125)

Essentie
In deze zaak werd ingebroken bij een bloemist en werd er geld weggenomen. Om de verdachte te veroordelen is onder meer informatie ontleend aan Google Maps. Dit bewijsmiddel is verder niet onderbouwd, omdat het is aangevoerd als feit van algemene bekendheid. Een feit van algemene bekendheid behoeft immers geen bewijs, aldus art. 339 lid 2 Sv. Verdachte kon zich hier niet in vinden en ging in cassatie.

Rechtsregel
De zaak van het Openbaar Ministerie was grotendeels gebaseerd op Google Maps. Het gerechtshof heeft de verdachte mede op basis hiervan veroordeeld. In cassatie stond daarom de vraag centraal of een plattegrond van Google Maps kan worden aangemerkt als een feit van algemene bekendheid.

De Hoge Raad oordeelt hier dat een gegeven dat aan een internetbron is ontleend van algemene bekendheid kan zijn als dat gegeven geen speciale kennis veronderstelt en de juistheid ervan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is (zie ook ECLI:NL:HR:2016:522).

Inhoud arrest
Aan verdachte wordt verweten dat hij een diefstal in vereniging heeft gepleegd. Verdachte heeft met een ander ingebroken in een bloemenzaak en geld weggenomen. Verdachte is hiervoor ook veroordeeld op basis van een aangifte, getuigenverklaringen en bevindingen van de verbalisant.

Het probleem was dat de verdediging aanvoerde dat de getuige vanuit zijn huis de inbraak nooit gezien kan hebben. Het gerechtshof bekeek de situatie aldaar op Google Maps en kwam tot de conclusie dat het huis van de getuigen zich recht tegenover het bewuste pand bevindt waarin is ingebroken. Uit de verklaring van de getuige leidt het hof af dat hij de winkel in de gaten heeft gehouden vanaf het moment dat hij licht zag branden tot aan het moment dat de politie arriveerde.

In cassatie voerde de verdediging aan dat een waarneming op basis van Google Maps geen feit van algemene bekendheid is en daarom moet worden onderbouwd met aanvullend bewijs. De Hoge Raad ging hier niet in mee en overwoog voorts dat geen rechtsregel de rechter ertoe dwingt een feit van algemene bekendheid bij het onderzoek ter terechtzitting ter sprake te brengen. Echter, als het niet geheel duidelijk is of het gaat om een feit van algemene bekendheid, moet een rechter dat feit aan de orde stellen bij de behandeling ter terechtzitting. Zo moet worden voorkomen dat de rechter zijn uitspraak baseert op mededelingen of waarnemingen waarvan hij buiten het geding heeft kennisgenomen, wat als gevolg heeft dat de overige betrokkenen bij de zitting deze mededelingen en waarnemingen niet te horen krijgen (zie ook ECLI:NL:HR:2011:BP0291).

Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat art. 6 lid 1 EVRM is geschonden, omdat er twee jaar is verstreken sinds het instellen van cassatie. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is geschonden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf wordt verlaagd met een week. De rest van de uitspraak blijft in stand.