ECLI:NL:HR:2018:1008 (Overzichtsarrest openlijke geweldpleging)

Hoge Raad 3 juli 2018, Overzichtsarrest openlijke geweldpleging
(ECLI:NL:HR:2018:1008)

Essentie
In dit arrest geeft de Hoge Raad een nadere uitleg over de term ‘openlijk’ in de zin van openlijke geweldpleging ex. artikel 141 Sr. Op een besloten feest zijn in een feestzaal, waar een verjaardag werd gevierd, geweldshandelingen gepleegd. Volgens het hof is voor openlijke geweldpleging vereist dat het geweld plaatsvindt op of aan de openbare weg of op een voor publiek toegankelijke plaats. Nu de geweldshandelingen hebben plaatsgevonden in een feestzaal die op dat moment slechts toegankelijk was voor genodigde gasten, is het de vraag of er sprake is van openlijke geweldpleging.

Rechtsregel
Kan geweld in een besloten feestruimte worden aangemerkt als ‘openlijk’ in de zin van artikel 141 lid 1 Sr? De Hoge Raad oordeelt dat er in zulks geval geen sprake is van openlijk geweld, omdat het geweld zich voltrok in een besloten ruimte die slechts toegankelijk was voor een beperkt aantal genodigde personen en waar geen ongenode gasten aanwezig waren.

Inhoud arrest
Een persoon wordt ervan verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het hof heeft verdachte hiervan vrijgesproken, omdat voor een bewezenverklaring van een dergelijk feit dient te worden bewezen dat de gepleegde geweldshandelingen ‘openlijk’ hebben plaatsgevonden. Dit wil zeggen dat de geweldshandelingen op of aan de openbare weg, dan wel op een voor het publiek toegankelijke plaats hebben plaatsgevonden.

Met betrekking tot het bestanddeel ‘openlijk’ in artikel 141 lid 1 Sr is in de rechtspraak vaak vooropgesteld dat daarvan sprake is “bij geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, zonder dat evenwel is vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was of dat er toen en daar feitelijk vrije toegang en zicht op wat er gebeurde bestond.” (Vgl. bijvoorbeeld HR 13 juni 2006).

De motivering van de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘openlijk’ verdient vooral in niet-evidente gevallen nadere aandacht. Daarbij zijn de specifieke omstandigheden van het geval doorslaggevend. Onder meer de potentiële waarneembaarheid van de tenlastegelegde gedragingen en de omvang van het – potentieel aanwezige – publiek kunnen in dat verband een rol spelen. In een niet zonder meer openbare ruimte zoals een aula van een school kan bijvoorbeeld op zijn minst van belang zijn in hoeverre die ruimte ten tijde van het tenlastegelegde toegankelijk was, ook voor personen die niet in relatie stonden met de onderwijsinstelling (vgl. HR 9 januari 2018).

De geweldshandelingen in onderhavige zaak hebben plaatsgevonden in een feestzaal, waar op dat moment 40 uitgenodigde gasten aanwezig waren. Uit het dossier blijkt dat het feest niet toegankelijk was voor niet-genodigde gasten, waardoor volgens het hof niet kan worden gesproken van een voor publiek toegankelijke plaats. Voorts blijkt uit het dossier dat voorafgaand aan de geweldshandelingen de deuren van de feestzaal dicht zijn gedaan en dat de gepleegde geweldshandelingen zichtbaar waren voor omstanders vanaf de openbare weg. Derhalve kan niet bewezen worden dat sprake is van ‘openlijk’ geweld in de zin van artikel 141 lid 1 Sr. Dit getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.