ECLI:NL:HR:2018:1003 (Homofobe rap – zaak rapper Ismo)

Hoge Raad, 22 maart 2019

ECLI:NL:HR:2018:1003

 

Essentie

In deze zaak heeft het Hof vastgesteld dat uitingen als ‘flikkers geef ik geen hand’ en ‘ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi’s’ beledigend zijn in de zin van art. 137c Sr. Het Hof heeft de uitspraken bekeken in het licht van de context waarin zij zijn gedaan en heeft hierbij rekening gehouden met het recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van artistieke expressie.

 

Rechtsregel

Wanneer men wil nagaan of er sprake is van een overtreding van artikel 137c lid 1 Sr, wordt de zogenaamde ‘drie-stappen’ test gehanteerd. Dit houdt in dat de rechter dient na te gaan 1) of de uitlating op zichzelf genomen beledigend is, 2) zo ja, of zij niettemin is gedaan binnen een bepaalde context en bijdraagt aan een publiek debat of gezien kan worden als een artistieke expressie, en 3) of de uitlating niettemin onnodig grievend is.[1]

Binnen het hierboven geschetste kader zijn de uitingen ‘flikkers geef ik geen hand’ en ‘ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi’s’ zowel op zichzelf beschouwd als bezien in hun context op te vatten als ‘beledigend’ in de zin van art. 137c Sr.

 

Inhoud

De voornoemde uitingen zijn afkomstig van een rap van de verdachte, waarvan hij een videoclip op YouTube heeft geplaatst. De verdachte is bij arrest van 21 februari 2017 door het Hof wegens primair “Zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid” en “Zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras” veroordeeld tot een geldboete, subsidiair 25 dagen hechtenis. Het Hof is tot dit oordeel gekomen op grond van drie stappen die in de jurisprudentie zijn te onderscheiden:

 

  • Heeft de uitlating op zichzelf een beledigend karakter? Hierbij dient een objectieve toets plaats te vinden, waarbij het algemene spraakgebruik als maatstaf wordt gebruikt.
  • Wanneer de eerste stap wordt aangenomen, neemt de context waarin de uitlating is gedaan het beledigende karakter van de uitlating weg? Men denke aan uitspraken die worden gedaan binnen de context van een publiek debat, een geloofsopvatting of artistieke expressie.
  • Wanneer de tweede stap wordt aangenomen, is de uitlating toch onnodig grievend? Binnen de hierboven genoemde context dient er geen sprake te zijn van een schending van artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is dit recht immers niet absoluut.

 

Het Hof concludeert dat het woord “flikker” naar algemeen spraakgebruik wordt gebruikt als scheldwoord voor homoseksuelen. Binnen het gebruikte zinsverband (“flikkers geef ik geen hand”) krijgt dit woord een nog negatievere lading. Deze redenering wordt eveneens toegepast op de tweede bestreden uiting, waar het woord “fucking” een nog negatievere lading geeft aan de zin “ik haat de joden nog meer dan de nazi’s” – een zin die op zichzelf al als zeer kwetsend kan worden beschouwd.

Het Hof neemt hierbij in ogenschouw dat het doen van grove uitingen onmiskenbaar een kenmerkend element is van rap. Echter, de omstandigheid dat de uitlatingen rijmen met de rest van de rap is onvoldoende om van enige functionaliteit binnen het kader van artistieke expressie te spreken. Tevens is er geen functioneel verband met de rest van de tekst. Zodoende lijkt de zaak te sneuvelen op de tweede stap.[2]

Het Hof komt tot de conclusie dat de verdachte zijn artistieke vrijheid heeft misbruikt.

De verdachte is naar aanleiding van deze uitspraak in cassatie gegaan, waarbij één middel is voorgesteld. Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat het Hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd en/of de grenzen van de vrijheid van meningsuiting heeft miskend.

De Hoge Raad komt echter tot de conclusie dat de oordelen van het Hof geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en dat deze toereikend gemotiveerd zijn.

 

 

[1] HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1003, NJ 2019/214 m.nt. E.J. Dommering.

[2] HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1003, NJ 2019/214 m.nt. E.J. Dommering.