ECLI:NL:HR:2016:452 (Statusvoorlichting)

Statusvoorlichting, 18 maart 2016
(ECLI:NL:HR:2016:452)

Essentie
Omgang tussen spermadonor en kind: een rechter kan in het belang van het kind bepalen dat dit kind statusvoorlichting krijgt voordat er weer omgang met de vader plaatsvindt. Dit gaat voor op het recht van de ouders om zelf te bepalen wanneer het kind te horen krijgt dat hij is verwekt door een spermadonor.

Rechtsregel
Op grond van artikel 8 van het EVRM en artikel 1:377a, eerste lid, BW hebben het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat recht op omgang met elkaar. Als er geen nauwe persoonlijke betrekking is, is dit recht ook opgenomen in het recht op private life van artikel 8 EVRM. Het recht op private life houdt ook in dat een kind het recht heeft om te weten van wie hij afstamt. Dit recht is ook opgenomen in artikel 7 en 8 van het IVRK. Op grond van artikel 1:247, tweede lid, BW, moet een ouder het kind informatie geven over zijn afstamming (statusvoorlichting). De ouder mag in beginsel zelf het moment kiezen waarop hij dit doet, maar het belang van het kind staat hierbij voorop. Als het kind is verwekt door een bekende spermadonor, dan is het in het belang van het kind om te weten dat degene met wie hij omgang heeft, zijn vader is. Een rechter kan daarom bepalen dat het kind statusvoorlichting krijgt, voordat er weer omgang plaatsvindt. Deze rechterlijke uitspraak gaat dan voor op het recht van de ouders om te bepalen op welk moment het kind de informatie krijgt.

Inhoud arrest
Twee vrouwen (hierna: de moeders) zijn sinds 2005 geregistreerd partners. Zij hebben een kinderwens, dus plaatsen zij een advertentie om in contact te komen met een spermadonor. Een man reageert hierop.

Een van de moeders (hierna: de biologische moeder) sluit met de man op 8 maart 2006 een donorovereenkomst. De adoptiemoeder ondertekent dit stuk ook.

De biologische moeder krijgt, door kunstmatige zelfinseminatie met het zaad van de man, in 2008 kind C. (hierna: het kind).

De adoptiemoeder adopteert het kind met toestemming van de man. De moeders hebben het gezamenlijk gezag over het kind en het woont ook bij hen.

Vanaf de geboorte van het kind tot en met juni 2009 hebben de man en het kind gemiddeld een keer per maand omgang van gemiddeld drie uur per keer. Na juni 2009 vermindert het contact en in januari 2010 stopt het.

De man dient op 6 april 2010 bij de rechtbank een verzoekschrift in tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en het kind, en een informatieregeling. Partijen schakelen hiervoor een mediator in. Eind 2010 sluiten partijen een vaststellingsovereenkomst, waarin bezoekdata zijn opgenomen voor de jaren 2011 en 2012. Als gevolg hiervan hebben de man en het kind tot februari 2013 een keer per twee maanden omgang van gemiddeld tweeënhalf uur.

Eind februari 2013 verbreken de moeders het contact tussen de man en het kind.

Op 4 april 2013 verzoekt de man de rechtbank een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en het kind van eenmaal per maand een zaterdagmiddag van 12.00 tot 18.00 uur, zonder dat de moeders hierbij zijn, en een informatieregeling vast te stellen waarbij de moeders de man eens per kwartaal moeten informeren over de ontwikkeling van het kind en een foto mee moeten sturen. De moeders dienen een verweerschrift in. De rechtbank verklaart de man bij beschikking van 28 augustus 2013 niet-ontvankelijk in zijn verzoeken.

De man gaat in hoger beroep, verzoekt het hof de beschikking van de rechtbank te vernietigen en zijn verzoeken tot vaststelling van een omgangs- en informatieregeling alsnog toe te wijzen. De moeders bestrijden de grieven en verzoeken de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.

Het hof vernietigt bij beschikking van 17 juni 2014 de beschikking van de rechtbank, verklaart de man ontvankelijk in zijn verzoeken en verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden voor een omgangsregeling tussen de man en het kind.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert in zijn rapport van 18 september 2014 om op dat moment geen omgangsregeling vast te leggen tussen de man en het kind.

Bij beschikking van 27 januari 2015 bepaalt het hof dat de man en het kind minimaal een keer per jaar omgang hebben in de week na de verjaardag van het kind (30 april). Het eerste contact zal plaatsvinden in mei 2016. Het hof bepaalt verder dat de moeders het kind voor 30 april 2016 moeten vertellen dat zijn vader een spermadonor is (statusvoorlichting) en dat zij de man elk half jaar op de hoogte moeten houden van de ontwikkeling van het kind en hem een foto moeten sturen.

De man gaat in cassatie. De moeders voeren verweer en stellen incidenteel cassatieberoep in ten aanzien van de beslissing het kind statusvoorlichting te moeten geven. De man dient in deze procedure een verweerschrift in. De Hoge Raad verwerpt beide beroepen.