ECLI:NL:HR:2016:2454 (Dynamische Verkeerscontrole)

Dynamische verkeerscontrole, HR 1 november 2016

Essentie

Dit spraakmakende arrest gaat in beginsel over de politie die haar bevoegdheid tot verkeerscontrole zou hebben gebruikt voor het opsporen van andere strafbare feiten (détournement de pouvoir). De verdachte werd staande gehouden in het kader van een verkeerscontrole. Bij de verkeerscontrole werd een kilo wiet gevonden in de auto. Het gerechtshof oordeelde dat de politie haar bevoegdheid tot verkeerscontrole onjuist heeft gebruikt. Dit leidde tot bewijsuitsluiting van de verdovende middelen en vrijspraak van de verdachte. De Hoge Raad kwam in cassatie echter tot een ander oordeel.

Rechtsregel

Deze zaak betreft de vraag of de politie haar bevoegdheid tot verkeerscontrole – zoals vastgelegd in art. 160 lid 1 & 4 WVW 1994 – heeft misbruikt om strafbare feiten op te sporen. Volgens het hof leverde dit détournement de pouvoir op. Echter, volgens de Hoge Raad heeft de politie haar bevoegdheid tot verkeerscontrole niet oneigenlijk gebruikt.

De Hoge Raad oordeelde namelijk dat een verkeerscontrole aan de wettelijke eisen voldoet indien hierbij daadwerkelijk het rijbewijs en de voertuigpapieren zijn gecontroleerd. “Een verkeerscontrole die wordt ingezet om opsporingshandelingen mogelijk te maken, maakt die controle nog niet onrechtmatig”, aldus de Hoge Raad. De verkeerscontrole zou wel onrechtmatig zijn indien een voertuig enkel of hoofdzakelijk op grond van etnische dan wel religieuze kenmerken van de bestuurder of de inzittende voor controle werd geselecteerd. In casu was echter geen sprake van etnisch profileren.

Inhoud arrest

Op basis van bepaalde risicokenmerken worden bij een dynamische verkeerscontrole specifieke auto’s gecontroleerd met betrekking tot personen van wie de politie vermoedt crimineel actief te zijn. Zo geschiedde ook in deze zaak, waarin een BMW X6 aan de kant werd gezet. De politie beschikte over informatie dat de auto was gehuurd bij een maatschappij waarvan bekend was dat die auto’s verhuurde aan criminelen. Tevens was het een voor de wijk waarin werd gereden opvallend dure auto en ook de combinatie van een Oost-Europese bestuurder met een Hindoestaans/Surinaamse man als bijrijder trok de aandacht.

Het rijbewijs en kentekenbewijs bleken in orde. Vervolgens vroeg de politie in een gesprekje met de bestuurder en passagier toestemming om hen te onderzoeken aan de kleding en de auto te doorzoeken. De toestemming werd verleend en bij het doorzoeken van de auto werd in de kofferbak een tas met wiet en enkele cannabistoppen gevonden.

De tenlastelegging luidde als volgt: “hij op of omstreeks 3 juni 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 993 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”

Omtrent de rechtmatigheid van de dynamische verkeerscontrole, overwoog het hof als volgt: “Bij die controles is het de politie te doen om strafvorderlijke fishing expeditions: opsporingsactiviteiten op basis van vage risicokenmerken zonder enige verdenking ter zake van enig strafbaar feit, waardoor informatie kan worden vergaard die bij een reguliere verkeerscontrole niet toegankelijk zou zijn.

Het doen stoppen van het desbetreffende voertuig en het vorderen van inzage in het rijbewijs en het kentekenbewijs dienen in dat verband een drieledig doel:

  1. het vaststellen van de identiteit van de bestuurder, op basis waarvan in de politiële systemen kan worden gezocht naar (mogelijk belastende) informatie over deze personen, omdat in deze gevallen het vorderen van inzage in een identiteitsbewijs van de bestuurder op de voet van artikel 8 Politiewet 2012 niet tot de mogelijkheden behoort;
  2. het verhullen voor de bestuurder en de inzittenden dat de politie alleen geïnteresseerd is in hun eventuele criminele achtergronden en activiteiten op andere gebieden dan de verkeerswetgeving;
  3. het (mede ten behoeve van de rechter) doen voorkomen dat aan de wettelijke eisen is voldaan – doordat “formeel” een verkeerscontrole wordt uitgevoerd – omdat anders sprake zou zijn van détournement de pouvoir, nu de politie niet op andere grond bevoegd is een voertuig met inzittenden te controleren.

Van daadwerkelijke controle op de naleving van de verkeersvoorschriften is geen sprake; daarin is de politie kennelijk niet geïnteresseerd. Om de schijn op te houden dat dit wel het geval is, worden een surveillanceauto en agenten in uniform ingezet.

Ook in het onderhavige geval heeft de politie de auto van de verdachte in het kader van een dynamische verkeerscontrole geselecteerd en deze controle vervolgens toegepast. Als reden daarvoor is in het daarvan opgemaakte proces-verbaal alleen vermeld dat de auto op naam bleek te staan van een bedrijf waarvan criminelen “gebruik maakten”. Door enkele verbalisanten is daaraan, bij gelegenheid van hun verhoor bij de raadsheer-commissaris, toegevoegd dat het een dure auto betrof voor de wijk waar hij reed (hof: de Ookmeerweg in Amsterdam West) respectievelijk dat in een dure auto een Oost-Europees type op de bijrijdersstoel zat en een Hindoestaans/Surinaamse man bestuurder was, hetgeen een opvallende combinatie werd gevonden, maar uit het dossier is niet van objectieve gegevens gebleken die het, klaarblijkelijke, gevoel van onbehagen van de verbalisanten dat er mogelijk iets met dit voertuig aan de hand zou zijn, ondersteunt.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de politie de haar toekomende controlebevoegdheden van de Wegenverkeerswet 1994 uitsluitend heeft aangewend ten behoeve van opsporingsactiviteiten, derhalve voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheden zijn gegeven, hetgeen détournement de pouvoir ofwel strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk oplevert. Er is dus sprake van een bij het voorbereidend onderzoek begaan onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv.”

Het hof sprak de verdachte dus vrij. Het Openbaar Ministerie was het hier niet mee eens en ging in cassatie. De Hoge Raad oordeelde dat het optreden van de politie geen détournement de pouvoir oplevert. In rechtsoverweging 3.4 overwoog de Hoge Raad dat “vooropgesteld moet worden dat het uitoefenen van controlebevoegdheden als bedoeld in art. 160, eerste en vierde lid, WVW 1994 verband dient te houden met de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 gegeven voorschriften (vgl. HR 26 november 1957, NJ 1958/351). Indien daadwerkelijk inzage is gevorderd in het rijbewijs en/of de kentekenpapieren van het voertuig, mag worden aangenomen dat de bevoegdheden van art. 160, eerste en vierde lid, WVW 1994 zijn uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften.

Zolang een dergelijke controlebevoegdheid, uitgevoerd door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, mede is uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften als bedoeld in het eerste en het vierde lid van art. 160 WVW 1994 is die uitoefening derhalve in beginsel rechtmatig, ook indien die bevoegdheid daarnaast het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt waarop deze bepalingen niet zien.

Die omstandigheid brengt immers nog niet mee dat de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel – te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen – dan waarvoor deze is verleend. Voorts geldt dat het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit niet in de weg staat aan het uitoefenen van deze controlebevoegdheden door opsporingsambtenaren, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen.”

In rechtsoverweging 3.7 overwoog de Hoge Raad dat discrimineren bij verkeerscontroles niet is toegestaan.

“Opmerking verdient het volgende. Art. 160, eerste en vierde lid, WVW 1994 bevatten geen aanwijzingen omtrent de selectie van de bestuurders ten aanzien van wie de in die bepalingen genoemde bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend. Hetgeen hiervoor onder 3.4 is vooropgesteld laat evenwel onverlet de mogelijkheid dat de rechter bevindt dat de politie bij de uitoefening van voornoemde controlebevoegdheden de te controleren persoon of personen heeft geselecteerd op een wijze die onverenigbaar is met het uitgangspunt dat personen niet worden gediscrimineerd wegens onder meer hun ras of hun godsdienst of levensovertuiging. Indien de rechter tot de bevinding komt dat bij die selectie een in dit opzicht niet gerechtvaardigd onderscheid is gemaakt, zal hij moeten bepalen welk rechtsgevolg in de gegeven omstandigheden moet worden verbonden aan de onrechtmatigheid van de uitoefening van de controlebevoegdheid, rekening houdend met factoren als de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Bij verkeerscontroles als in deze zaak aan de orde kan een dergelijke bevinding in het bijzonder in beeld komen indien de selectie van het voor een verkeerscontrole in aanmerking komend voertuig uitsluitend of in overwegende mate is gebaseerd op etnische of religieuze kenmerken van de bestuurder of andere inzittenden van dat voertuig. Gelet op de betekenis die blijkens de door het Hof vastgestelde en hiervoor onder 3.1.3 weergegeven gang van zaken – waaromtrent door de verbalisanten de vereiste openheid is verschaft – is toegekend aan omstandigheden, als het (dure) type auto, de wijk waarin de auto reed en de firma die als kentekenhouder van de auto stond geregistreerd, is daarvan in het onderhavige geval niet gebleken.”

De uitspraak van het hof Amsterdam is vernietigd en de zaak werd verwezen naar het hof Den Haag teneinde opnieuw te worden behandeld.