ECLI:NL:HR:2015:3424 (Inbev/Van der Valk)

Hoge Raad, 27 november 2015, Inbev/Van der Valk
(ECLI:NL:HR:2015:3424)

Essentie

De verweerder wil de huurovereenkomst vernietigen en doet hierbij beroep op dwaling die is veroorzaakt door het zwijgen van de wederpartij (art. 6:228 lid 1 sub b BW). Volgens de verweerder had Inbev de mededelingsplicht over het bestemmingsplan van de gemeente. Inbev beargumenteerde dat het onwetend was en dus geen mededelingsplicht had. Als een partij onwetend is over een zaak, is namelijk geen sprake van een mededelingsplicht.

Rechtsregel

Art. 6:228 lid 1 sub b BW geeft aan dat de dwaling is veroorzaakt door het zwijgen van de wederpartij. Het gaat om een geval waarover de wederpartij wist of behoorde te weten dat er een mededelingsplicht was. Deze mededelingsplicht gaat over dat wat je weet en over wat je geacht wordt te weten. Hier staat tegenover dat wanneer je ergens onwetend over bent, je geen mededelingsplicht hebt.

Inhoud arrest

In casu is sprake van onderverhuur van een bedrijfsruimte. Deze bedrijfsruimte had sinds 2005 de functie van discotheek, maar formeel had de bedrijfsruimte “speelcasino” als bestemming. Van der Valk (verweerder en onderhuurder) wilde het pand verbouwen tot een Italiaans restaurant. Hiervoor was volgens de gemeente een vrijstellingsprocedure (een verbouwingsvergunning) nodig o.g.v. art. 19 lid 2 WRO (oud). Volgens de verweerder had Inbev haar hierover moeten inlichten, omdat de gemeente namelijk geen verbouwingsvergunning wilde verlenen.

Van der Valk wil dus de huurovereenkomst vernietigen en doet hierbij beroep op dwaling van art. 6:228 BW. Er is namelijk sprake van een verkeerde voorstelling van zaken: als Van der Valk wist dat ze geen verbouwingsvergunning zouden krijgen, hadden ze de ruimte niet gehuurd. Verder was het bestemmingsplan er al. Het gaat dus niet over een toekomstig geval.

De Hoge Raad oordeelde in casu dat Inbev geen mededelingsplichting had. Inbev was namelijk onwetend over het bestemmingsplan.