ECLI:NL:HR:2015:311 (Nietig testament bij een geestelijke stoornis)

Hoge Raad 13 februari 2015, Nietig testament bij een geestelijke stoornis
(ECLI:NL:HR:2015:311)

Essentie

In casu gaat het om een erflater die blijvend verstandelijk beperkt was als gevolg van een ongeval dat hem is overkomen in zijn kleutertijd. Zijn enige erfgenamen zijn twee nichten van hem, onder wie de eiseres. De eiseres vordert dat het testament nietig wordt verklaard, omdat de erflater onder de invloed was van een geestelijke stoornis en dus niet in staat was zijn wil te bepalen.

Rechtsregel

Bij een verklaring kan iemands wil worden geacht te ontbreken wanneer deze verklaring is gedaan onder de invloed van een geestelijke stoornis en indien de stoornis een redelijke waardering belette bij de betrokken belangen (art. 3:34 BW).

Indien een testament nietig dient te worden verklaard op grond van een geestelijke stoornis, is van belang dat sprake is van een causaal verband tussen de geestelijke stoornis en het opstellen van het testament. Verder moet bewijs kunnen worden geleverd door getuigen op grond van art. 163 Rv en moet dit bewijs voldoende specifiek zijn op grond van art. 166 Rv.

Inhoud arrest

De erflater is in 1922 geboren en op 23 februari 2011 overleden. Hij had geen partner of kinderen en alle drie zijn broers zijn eerder overleden dan hij. Twee van zijn broers hadden ieder een dochter. Deze twee nichten waren dus de wettelijk erfgenamen van de erflater. Ook heeft de erflater ze bij testament tot erfgenaam benoemd op 19 juni 1980, terwijl de broers van de erflater op dat moment zijn wettelijke erfgenamen waren.

Eén van de nichten is de eiseres. Zij wil dat het testament nietig wordt verklaard op grond van de geestelijke stoornis van de erflater. Zij wil dat de nalatenschap van de erflater aan de wettige erfgenamen toekomt. De erflater zou namelijk door zijn geestelijke stoornis niet in staat zijn geweest om een testament op te stellen (art. 3:34 BW). De eiseres zegt hierbij dat de blijvende geestelijke stoornis ervoor zorgde dat niet goed werd gelet op de betrokken belangen bij het opstellen van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999.

Voor het nietig verklaren van het testament dient de eiseres bewijslevering aan te bieden op grond van 163 Rv. Het Hof heeft deze bewijslevering afgewezen, omdat de eiseres onvoldoende heeft aangeduid dat er een causaal verband is tussen de geestelijke stoornis en het opstellen van het testament van 20 mei 1999.

Volgens de Hoge Raad heeft het Hof onvoldoende gemotiveerd waarom het aanbod tot bewijslevering werd afgewezen.