ECLI:NL:HR:2015:1413 (Lunchroom de Katterug)

Hoge Raad, 29 mei 2015, Lunchroom de Katterug
(ECLI:NL:HR:2015:1413)

Essentie

De sanctie op het beheersverbod voor commanditaire vennoten (art. 20 Wetboek van Koophandel (hierna: WvK)) is uitsluitend gerechtvaardigd indien en voor zover zij in overeenstemming is met de strekking ervan. Hiermee heeft de Hoge Raad enkele nuanceringen aangebracht op het strenge beheersverbod.

Rechtsregel

Indien een commanditaire vennoot het verbod van art. 20 lid 1 of lid 2 WvK overtreedt, verbindt art. 21 WvK daaraan een ingrijpende sanctie: de commanditaire vennoot wordt jegens alle schuldeisers van de vennootschap ten volle aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook die welke zijn ontstaan voor het tijdstip waarop het verbod werd overtreden. Deze sanctie is uitsluitend gerechtvaardigd indien en voor zover zij in overeenstemming is met de strekking ervan. Dit brengt mee dat de rechter, indien de — in beginsel daartoe door de commanditaire vennoot te stellen en te bewijzen — omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan oordelen dat de sanctie niet gerechtvaardigd is, of dat het gevolg daarvan dient te worden beperkt tot bepaalde verbintenissen van de commanditaire vennootschap.

Inhoud arrest

Twee ouders waren als commanditair vennoot betrokken bij de exploitatie van de lunchroom van hun zoon (de beherend vennoot). De commanditaire vennoten hebben in 2010 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de overname van de aan de cv verbonden onderneming. In deze overeenkomst is bepaald dat de cv zorg zal dragen voor de afrekening van de tijdens haar bestaan opgebouwde vergoedingen van de personeelsleden van de cv tot aan de dag van de overdracht. De koper heeft vergoedingen betaald aan een werknemer die voor de overdracht bij de cv werkzaam was. In onderhavige zaak vordert koper hoofdelijke veroordeling van de commanditaire vennoten tot terugbetaling van deze vordering.

Aan deze vordering heeft koper ten grondslag gelegd dat de commanditaire vennoten door medeondertekening van twee door de cv gesloten huur- en huurbeëindigingsovereenkomsten het in art. 20 lid 2 WvK neergelegde beheersverbod hebben overtreden. Op grond van art. 21 WvK zijn zij daarom hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de cv.

De Hoge Raad oordeelt als volgt: art. 21 WvK bevat een sanctie die ertoe strekt te voorkomen dat commanditaire vennoten die op een van de in art. 20 WvK vermelde manieren onduidelijkheid laten ontstaan over hun rechtspositie in de vennootschap, zich kunnen onttrekken aan de aansprakelijkheid die art. 18 WvK voorziet voor de gewone vennoten.[1] Het doel is tweeledig. Enerzijds moet de bepaling voorkomen dat de commanditaire vennoot ten name van de vennootschap aan het handelsverkeer deelneemt alsof hij een beherend vennoot is en daarmee misbruik maakt van het rechtsgevolg dat is verbonden aan de hoedanigheid van commanditaire vennoot. Anderzijds moet het duidelijk zijn voor derden of zij met een beherend vennoot of met een commanditair vennoot handelen. Dit onderscheid is van belang, omdat een beherend vennoot ingevolge art. 19 lid 2 jo. art. 18 WvK met zijn gehele vermogen instaat voor de nakoming van de verbintenissen van de vennootschap.

Indien een commanditaire vennoot het verbod van art. 20 lid 1 of lid 2 WvK overtreedt, verbindt art. 21 WvK daaraan een ingrijpende en vérgaande sanctie: de commanditaire vennoot wordt jegens alle schuldeisers van de vennootschap ten volle aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook die welke zijn ontstaan voor het tijdstip waarop het verbod werd overtreden.[2]

Deze sanctie is uitsluitend gerechtvaardigd indien en voor zover zij in overeenstemming is met de hiervoor vermelde strekking ervan. Zij mag dan ook niet in een onevenredige verhouding staan tot de aard en ernst van de schending door de commanditaire vennoot van de voorschriften van art. 20 leden 1 en 2 WvK en dient achterwege te blijven indien en voor zover zij door het handelen van de commanditaire vennoot niet of niet ten volle wordt gerechtvaardigd.

Met dit oordeel heeft de Hoge Raad de strikte toepassing van het beheersverbod van art. 20 WvK genuanceerd.

[1] HR 11 april 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC1941NJ 1981/377, m.nt. B. Wachter.

[2] HR 24 april 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5021NJ 1970/406, m.nt. G.J. Scholten.