ECLI:NL:HR:2014:3095 (Belaging)

Hoge Raad 4 november 2014, Belaging
(ECLI:NL:HR:2014:3095)

Essentie

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 17 juni 2011 tot en met 26 juni 2011 schuldig heeft gemaakt aan belaging door het slachtoffer meerdere malen te achtervolgen, observeren, fotograferen en filmen. In hoger beroep is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Het hof heeft hierbij overwogen dat, hoewel de verdachte heeft bekend dat hij (direct na zijn detentie vanwege een eerdere belaging van het slachtoffer) zich naar het huis van het slachtoffer heeft begeven en vervolgens in de tenlastegelegde periode meermalen voor het huis van het slachtoffer heeft gestaan. Bovendien heeft de verdachte bekend dat hij het slachtoffer diverse malen is gevolgd en haar heeft gefotografeerd en gefilmd. Het slachtoffer is zich in de tenlastegelegde periode slechts eenmaal bewust geweest van een belagingshandeling van de verdachte. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof niet bewezen worden verklaard dat de verdachte in de tenlastegelegde periode stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Immers bestaat een stelselmatige inbreuk niet enkel uit stelselmatigheid van de handelingen, maar ook uit het bewustzijn van die handelingen bij het slachtoffer.

Het Openbaar Ministerie is hiertegen in cassatie gegaan.

Rechtsregel

De vraag die het Openbaar Ministerie in het cassatieberoep opwerpt is of voor een bewezenverklaring van belaging is vereist dat het slachtoffer tijdens de tenlastegelegde periode zich bewust moet zijn geweest van de belaging.

De Hoge Raad overweegt het volgende. Het oordeel van het hof, dat een gedraging uitsluitend als inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer kan worden aangemerkt indien het slachtoffer ten tijde van die gedraging met die gedraging bekend was en dus niet nadien op de hoogte is gekomen van de gedraging, vindt geen steun in het recht en in het bijzonder niet in art. 285 Sr. De klacht is dus gegrond.

Voorts overweegt de Hoge Raad dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging de volgende elementen van belang zijn: de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, alsmede de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394).

Inhoud arrest

Gelet op het voorgaande beslist de Hoge Raad dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en wijst hij de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, om de zaak in hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.