ECLI:NL:HR:2013:CA0727 (Gemeente Rotterdam/Eneco)

Gemeente Rotterdam/Eneco, HR 20 september 2013
(ECLI:NL:HR:2013:CA0727)

Essentie
Ook in commerciële verhoudingen is de Haviltex-maatstaf beslissend en kunnen derhalve alle omstandigheden van het geval relevant zijn. De hoedanigheid van de betrokken partijen is slechts één van de gezichtspunten die bij de uitleg volgens die maatstaf een rol spelen.

Rechtsregel
Bij commerciële contracten tussen professionele partijen staat een taalkundige uitleg voorop. De overige omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Zo komt ook betekenis toe aan de context van de bepaling, de totstandkomingsgeschiedenis ervan en de aannemelijkheid van de gevolgen. In deze zaak bleek uit geen enkele omstandigheid dat er een opstalrecht was beoogd.

Inhoud arrest
In 1992 wordt het energiebedrijf van de gemeente Rotterdam verzelfstandigd. In dit kader sluit de gemeente een contract met Eneco tot overdracht van alle activa en passiva. De ondergrondse kabels en leidingen van het energiebedrijf worden slechts economisch geleverd, omdat ze door natrekking onderdeel uitmaken van de grond en derhalve niet zelfstandig kunnen worden overgedragen.In 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders krachtens een in 2006 in werking getreden Leidingenverordening aan Eneco een aanwijzing gegeven tot het verleggen van een aantal leidingen die gelegen zijn in de grond van de gemeente. De gemeente wilde dit perceel namelijk vrij van leidingen verkopen aan een projectontwikkelaar.

Eneco is het daar niet mee eens en vordert onder andere een verklaring voor recht dat de gemeente, ter nakoming van het contract, medewerking moet verlenen aan de vestiging van een opstalrecht (art. 5:101 BW). Eneco zou in dit geval namelijk baat hebben bij het vestigen van een opstalrecht omdat dit niet slechts de eigendom van de leidingen geeft, maar er tevens toe leidt dat de grondeigenaar (de gemeente) in zijn grond de aanwezigheid van die leidingen moet dulden. Een opstalrecht gaat dus verder dan een eigendomsrecht, en geeft ook een zogenaamd ‘ligrecht’. Door de gemeente wordt echter betwist dat zij medewerking moet verlenen aan de vestiging van een opstalrecht.

De rechtsvraag die in cassatie van belang is, is hoe het contract moet worden uitgelegd. Het gaat in het bijzonder om de vraag of de gemeente zich jegens Eneco heeft verplicht om een opstalrecht voor de leidingen in de grond van de gemeente te vestigen.

Het hof komt met toepassing van de Haviltex-maatstaf tot de conclusie dat de gemeente op grond van het contract haar medewerking moet verlenen aan de vestiging van een opstalrecht ten behoeve van Eneco. De gemeente is tegen dit oordeel in cassatie gekomen. Er wordt geklaagd dat het hof bij de uitleg van het contract miskend heeft dat de gemeente en Eneco beide professionele partijen zijn die over de benodigde juridische kennis kunnen beschikken, waardoor aan de bewoordingen van het contract een belangrijke rol toekomt. Er is geen afspraak over het vestigen van een opstalrecht beoogd, hetgeen blijkt uit het feit dat het woord ‘opstalrecht’ in geen van de op de verzelfstandiging betrekking hebbende stukken is genoemd.

De Hoge Raad is van mening dat het hof terecht aan de hand van de Haviltex-maatstaf de vraag heeft beantwoord, waartoe de gemeente zich door middel van overeenkomst met Eneco heeft verbonden. De hoedanigheid van de betrokken partijen is slechts één van de gezichtspunten die bij de uitleg volgens die maatstaf een rol speelt. Uit de overwegingen van het hof blijkt echter niet dat het hof dit heeft miskend. De hoedanigheid van de contractpartijen hoeft immers niet mee te brengen dat een groter gewicht toekomt aan de bewoordingen van het contract dan het hof daaraan heeft toegekend. De Hoge Raad oordeelt echter dat naast het feit dat noch in het contract, noch in de conceptovereenkomst wordt gesproken over de vestiging een opstalrecht, evenmin is vastgesteld dat partijen hierover hebben onderhandeld. Daar komt bij dat de vestiging van een opstalrecht niet alleen gevolgen zou hebben voor de eigendom van de leidingen, maar ook tot gevolg zou hebben dat Eneco voor onbepaalde tijd het zakelijk recht zou verkrijgen tot het hebben en houden van de leidingen in de grond van de gemeente. Mede gelet op dit ingrijpende gevolg is het oordeel van het hof dat de gemeente zich jegens Eneco heeft verbonden tot het verlenen van medewerking aan de vestiging van een opstalrecht, onbegrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof.

 

1 Art. 5:20 lid 2 BW dat in zo’n situatie een oplossing biedt, bestond toen nog niet.